ABRvS 4 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:620 – Een boete voor elke keer dat de Atw is overtreden. “[d]e vraag of sprake is van een overtreding niet alleen moet worden gekeken naar de feitelijke gedraging, maar ook naar de formulering van de overtreden norm”. Verschillende normen en handelmomenten = 97 boetes.
Instantie Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Datum uitspraak: 4 februari 2026
Datum publicatie: 4 februari 2026
ECLI: ECLI:NL:RVS:2026:620
Fragment:
Heeft [appellante] de Atw 97 keer of één keer overtreden?
5. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat zij artikel 4:3, eerste lid, van de Atw 97 keer heeft overtreden. Volgens [appellante] is sprake van één overtreding en mocht de minister daarom ook maar één boete van € 4.400 opleggen.
Hiertoe voert zij aan dat de rechtbank de uitspraak van de Afdeling van 5 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2584, niet in haar oordeel mocht betrekken. De Afdeling heeft in die uitspraak geoordeeld dat de situatie waarin artikel 4:3, eerste lid, van de Atw is overtreden niet gelijkgesteld kan worden met de situatie die aan de orde was in het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 24 maart 2021, ECLI:EU:C:2021:233. [appellante] is het niet met dit oordeel van de Afdeling eens. Volgens [appellante] is wel sprake van een gelijke situatie, omdat het in de zaak van het Hof en in een geval waarin artikel 4:3, eerste lid, van de Atw is overtreden feitelijk gaat om dezelfde gedraging. In beide gevallen is er namelijk sprake van één enkele overtreding van een administratieverplichting en in beide gevallen was het niet mogelijk om de juiste registratie over te leggen. In de zaak van het Hof ging het alleen om het overleggen van registratiekaarten en in het onderhavige geval om het niet aanleveren van M-bestanden, dan wel een deugdelijke registratie. Dit maakt volgens [appellante] niet uit omdat het in beide gevallen om overtreding van één administratieverplichting gaat waardoor het niet mogelijk was om de juiste registratie te overleggen. Als gevolg daarvan had de minister, in lijn met het arrest van het Hof van 24 maart 2021, moeten volstaan met één boete voor de overtreding van artikel 4:3, eerste lid, van de Atw.
5.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, bijvoorbeeld in de uitspraak van 5 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2584, en in de uitspraak van 21 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2293, ging het in het arrest van het Hof van 24 maart 2021 om een overtreding van de voorganger van artikel 32 van Verordening (EU) nr. 165/2014. De boete aan [appellante] is niet opgelegd omdat de in die verordening gestelde regels zijn overtreden. Op deze zaak is Verordening (EG) nr. 561/2006 van toepassing. Uit artikel 10, vijfde lid, onder a, van de Verordening (EG) nr. 561/2006 volgt dat lidstaten een bepaalde mate van vrijheid toekomt om het sanctiestelsel voor elke inbreuk op het niet deugdelijk registreren van de M-bestanden en C-bestanden in te vullen. Dat is gebeurd in artikel 10:5, derde lid, van de Atw, waaruit volgt dat de gestelde overtredingen gelden ten opzichte van elke persoon en met betrekking tot elke dag in de loop waarvan deze overtreding is begaan. In wat [appellante] heeft aangevoerd ziet de Afdeling geen aanleiding om anders te oordelen dan in de uitspraak van 5 juli 2023.
De Afdeling voegt hieraan toe dat voor de beantwoording van de vraag of sprake is van een overtreding niet alleen moet worden gekeken naar de feitelijke gedraging, maar ook naar de formulering van de overtreden norm. In het arrest van het Hof ging het om een bepaling op grond waarvan de bestuurder wanneer deze rijdt op verzoek van de toezichthouder bepaalde documenten over een bepaald tijdvak moet kunnen tonen. Zoals het Hof ook overwoog, is dan in het geval dat de betrokken bestuurder op het tijdstip van de controle de vereiste documenten niet of niet allemaal kan overleggen, sprake van één enkele en eenmalige inbreuk. Bij de overtreden norm in deze zaak gaat het om een voortdurende verplichting van de werkgever om een deugdelijke registratie te voeren. Ook gelet hierop kan de situatie waarin artikel 4:3, eerste lid, van de Atw is overtreden niet gelijkgesteld worden met de situatie die aan de orde was in het arrest van het Hof van 24 maart 2021.
Het betoog slaagt niet.
Bron: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:RVS:2026:620
Leave a Reply