ABRvS 12 augustus 2026, ECLI:NL:RVS:2026:4741 – Twee lasten in één besluit, met twee bevoegde bestuursrechters. Besluit moet in dat geval worden ‘gesplitst’ over de twee rechters.

Print deze pagina

Instantie: Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Datum uitspraak: 12 augustus 2026

Datum publicatie: 12 augustus 2026

ECLI: ECLI:NL:RVS:2026:4741

Bevoegdheid Afdeling

5.       [appellante] heeft – overeenkomstig de rechtsmiddelenclausule in het besluit op bezwaar – hiertegen beroep ingesteld bij de rechtbank Rotterdam. De zaak is op zitting bij de rechtbank behandeld. De rechtbank heeft zich bij uitspraak van 14 april 2023 (zaak nr. 21/415) onbevoegd verklaard om kennis te nemen van het beroep en het beroep doorgestuurd naar de Afdeling. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep ingesteld.

Anders dan waarvan de rechtbank is uitgegaan, is de Afdeling echter slechts ten dele bevoegd om kennis te nemen van het beroep van [appellante].

5.1.    Uit artikel 8:6, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), gelezen in verbinding met artikel 2 van bijlage 2 van die wet, volgt dat de Afdeling bevoegd is kennis te nemen van een beroep tegen een besluit over handhaving op grond van artikel 10.45 van de Wet milieubeheer. De Afdeling is dus bevoegd om kennis te nemen van het beroep, voor zover dat is gericht tegen last 1.

De rechtbank is op grond van artikel 8:6, eerste lid, van de Awb bevoegd om kennis te nemen van een beroep tegen een besluit over handhaving op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wabo. Last 2 heeft deze bepaling als grondslag. Dat [appellante] de last om te voldoen aan de Wabo moet uitvoeren door de afvalstoffen in overeenstemming met artikel 10.37 van de Wet milieubeheer af te voeren naar een erkend afvalverwerker, laat onverlet dat overtreding van de Wabo ten grondslag is gelegd aan last 2. Dit betekent dat niet de Afdeling, maar de rechtbank bevoegd is om kennis te nemen van het beroep, voor zover dat is gericht tegen de instandlating van last 2.

Dat last 1 en last 2 in één besluit zijn opgenomen doet hieraan niet af. Het gaat immers om twee afzonderlijke lasten onder dwangsom met elk een eigen grondslag, niet om (bijvoorbeeld) één last die is opgelegd vanwege de overtreding van meerdere wettelijke bepalingen (zoals aan de orde was in de uitspraak van de Afdeling van 16 maart 2018, ECLI:NL:RVS:2018:905). Dat beide lasten zijn gebaseerd op dezelfde feitelijke situatie en dat een oordeel over de ene last een impliciet oordeel zou kunnen inhouden over de andere last, maakt niet dat moet worden afgeweken van de wettelijke regeling van de absolute competentie van bestuursrechters.

5.2.    Gezien het voorgaande is de Afdeling onbevoegd om kennis te nemen van het beroep, voor zover dit is gericht tegen last 2. De Afdeling zal het beroepschrift en de daarbij behorende besluiten en stukken in zoverre met toepassing van artikel 6:15 van de Awb terugzenden naar de rechtbank Rotterdam.

Procesbelang

6.       Het college stelde zich ter zitting op het standpunt dat [appellante] geen procesbelang heeft en dat haar beroep, voor zover gericht tegen last 1, daarom niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Volgens het college heeft [appellante] niet aannemelijk gemaakt dat zij schade heeft geleden door deze last. Verder is de overtreding beëindigd, heeft [appellante] geen dwangsommen verbeurd en is een inhoudelijk oordeel over last 1 niet van belang voor toekomstige besluiten, aldus het college.

6.1     Niet in geschil is dat [appellante] aan last 1 heeft voldaan. De omstandigheid dat het opleggen van die last het beoogde effect heeft gesorteerd, neemt niet weg dat [appellante] procesbelang heeft (zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 20 oktober 2004, ECLI:NL:RVS:2004:AR4294, onder 2.4). Bovendien heeft [appellante] toegelicht dat zij door het voldoen aan last 1 inkomsten heeft misgelopen. Zij heeft dus tot op zekere hoogte aannemelijk gemaakt dat zij schade heeft geleden als gevolg van last 1.

Last 1

7.       Ambtshalve overweegt de Afdeling als volgt. Bij het besluit op bezwaar heeft het college de grondslag van last 1 gewijzigd naar artikel 10.45 van de Wet milieubeheer. Op grond van artikel 18.2b, vierde lid, aanhef en onder b, van de Wet milieubeheer is de minister van Infrastructuur en Milieu (Infrastructuur en Waterstaat) bevoegd om handhavend op te treden tegen overtreding van artikel 10.45 van de Wet milieubeheer. Het college was dus niet bevoegd om last 1 met als grondslag artikel 10.45 van de Wet milieubeheer aan [appellante] op te leggen. Zoals ter zitting besproken komt het besluit op bezwaar alleen al daarom in zoverre voor vernietiging in aanmerking. De Afdeling komt daarom niet toe aan de beroepsgronden die zien op deze last.

Conclusie

8.       De Afdeling verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van het beroep voor zover dat is gericht tegen de instandlating van last 2 in het besluit op bezwaar van 14 december 2020.

Voor het overige is het beroep gegrond. De Afdeling vernietigt het besluit van 14 december 2020 voor zover dat ziet op de aan [appellante] opgelegde

Bron: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:RVS:2026:4741

Print deze pagina

Leave a Reply

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *