ABRvS 13 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3831 – Eerste (aangekondigde) toepassing bewijseisen door Afdeling bij handhavingsbesluit.
Instantie Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Datum uitspraak: 13 augustus 2025
Datum publicatie: 13 augustus 2025
ECLI: ECLI:NL:RVS:2025:3831
Fragment:
3.4. Zoals de rechtbank heeft overwogen, is handhavend optreden alleen mogelijk als sprake is van een overtreding. Aan een sanctiebesluit moet een deugdelijke en controleerbare vaststelling van relevante feiten en omstandigheden ten grondslag liggen. Dit brengt met zich dat de vaststelling of waarneming van feiten en omstandigheden die leiden tot de conclusie dat sprake is van een overtreding dient te worden gedaan door een ter zake deskundige medewerker van het bevoegd gezag, door een ter zake deskundig persoon in opdracht van het bevoegd gezag of door een ter zake deskundige persoon wiens bevindingen het bevoegd gezag voor zijn rekening heeft genomen. De vastgestelde of waargenomen feiten en omstandigheden dienen op een duidelijke wijze te worden vastgelegd. Dat kan geschieden in een schriftelijke rapportage, maar in bepaalde gevallen ook met foto’s of ander bewijsmateriaal. Duidelijk moet zijn waar, wanneer en door wie de feiten en omstandigheden zijn vastgesteld of waargenomen en welke werkwijze daarbij is gehanteerd. Voor zover de vastgestelde feiten en omstandigheden in een geschrift zijn vastgelegd, dient een inzichtelijke beschrijving te worden gegeven van hetgeen is vastgesteld of waargenomen (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 9 september 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2188, onder 13.4). Het is daarbij niet zo dat alle relevante feiten en omstandigheden daadwerkelijk door toezichthouders zelf dienen te zijn waargenomen. Relevante feiten en omstandigheden kunnen door toezichthouders ook worden vastgesteld, bijvoorbeeld door deze af te leiden uit door hen aangetroffen stukken (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 26 juni 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1997, onder 2.3).
3.5. Uit het voorgaande volgt dat voor het bewijs van overtreding een waarneming of vaststelling door of vanwege het bevoegd gezag nodig is. De rechtbank heeft gelet hierop terecht overwogen dat met het overleggen van de foto’s van appellanten niet is aangetoond dat sprake is van een overtreding en dat het college het handhavingsverzoek niet enkel op grond van de aangeleverde foto’s kon toewijzen. In zoverre slaagt het betoog niet. Daarbij neemt de Afdeling mede in aanmerking dat voor de vraag of sprake is van een overtreding de aard en frequentie van de komst naar en aanwezigheid van de werknemers van [partij A] bij (het kantoor in) de woning van belang is. Een bedrijfsactiviteit aan huis is gelet op de definitie in artikel 1.13 onder b van het bestemmingsplan, gelezen in samenhang met artikel 24.1.2 onder a, immers alleen bij recht toegestaan als die activiteit een ruimtelijke uitstraling heeft die in overeenstemming is met de woonfunctie ter plaatse. Eerdergenoemde aard en frequentie kunnen niet ondubbelzinnig uit de ingebrachte foto’s worden afgeleid.
3.6. Het college heeft naar aanleiding van het verzoek om handhaving drie onaangekondigde controles op drie verschillende tijdstippen laten uitvoeren, en vervolgens opnieuw naar aanleiding van het bezwaar tegen de afwijzing van dat verzoek. Bij de eerste controle op 11 januari 2021 heeft de inspecteur Bouw- en Woningtoezicht de kantoorruimte in de woning bekeken en opgemeten. Op de zitting heeft [appellant] desgevraagd bevestigd dat de situatie in die kantoorruimte sindsdien niet is gewijzigd. De Afdeling stelt vast dat tijdens de latere controles geen werknemers en/of bedrijfsvoertuigen bij de woning zijn gesignaleerd, afgezien van één met een bedrijfsbus vertrekkende medewerker op 26 mei 2021. Gelet daarop heeft de ODMH tijdens die controles in redelijkheid kunnen afzien van het opnieuw controleren van de kantoorruimte, nu er geen aanwijzingen waren dat zich daarbinnen werknemers van [partij A] bevonden. Daarbij neemt de Afdeling mede in aanmerking dat het gaat om een kantoor aan huis en dat tot het betreden daarvan niet lichtvaardig moet worden overgegaan. Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat uit de rapporten die van deze controles zijn gemaakt niet is gebleken dat sprake is van een overtreding.
In zoverre slaagt het betoog niet.
Bron: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:RVS:2025:3831
Leave a Reply