ABRvS 14 januari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:235 – Dwangsom van 100.000,- per maand voor zowel BV als bestuurder niet onredelijk. Recidive en aannemlijk dat huuropbrengsten tot wel 96.000 per maand bedragen.

Print deze pagina

Instantie Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Datum uitspraak: 14 januari 2026

Datum publicatie: 14 januari 2026

ECLI: ECLI:NL:RVS:2026:235

Fragment:

Hoogte van de dwangsom

11.     [appellant] en Jachthuis Resort betogen dat de rechtbank heeft miskend dat de dwangsommen onredelijk hoog zijn. Zij wijzen erop dat de lasten onder dwangsom aan elk van hen zijn opgelegd, waardoor de bedragen verdubbelen. Daarbij komt dat het college volgens hen ten onrechte ervan is uitgegaan dat de huuropbrengsten onderling gelijk worden verdeeld.

Verder voeren [appellant] en Jachthuis Resort aan dat de dwangsom voor het gebruik van de recreatieverblijven en het receptiegebouw vele malen hoger is dan de dwangsom bij de aan [appellant] opgelegde last in 2019. Hierbij merken zij op dat aan Jachthuis Resort als exploitant niet eerder een last onder dwangsom is opgelegd voor het niet-recreatieve gebruik van de recreatieverblijven en het receptiegebouw. Omdat het college lagere dwangsombedragen had verbonden aan de eerder aan [appellant] opgelegde last, is het volgens hen onredelijk dat het college voor Jachthuis Resort meteen de hogere dwangsommen vaststelt. De rechtbank heeft dit niet onderkend door er volgens hen ten onrechte van uit te gaan dat [appellant] en Jachthuis Resort dezelfde entiteit zijn.

Tot slot voeren zij over de dwangsom ten aanzien van de kantoorvilla nog aan dat een berekening van de huuropbrengsten ontbreekt.

11.1.  Artikel 5:32b, derde lid, van de Awb bepaalt dat de bedragen van de dwangsom in redelijke verhouding staan tot de zwaarte van het geschonden belang en tot de beoogde werking van de dwangsom.

11.2.  Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in de uitspraak van 15 januari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:86), heeft het opleggen van een last onder dwangsom ten doel de overtreder te bewegen tot naleving van de geldende regels. Van de dwangsom moet een zodanige prikkel uitgaan, dat de opgelegde last wordt uitgevoerd zonder dat een dwangsom wordt verbeurd.

11.3.  Naar het oordeel van de Afdeling is de rechtbank terecht tot de conclusie gekomen dat de hoogte van de dwangsommen in redelijke verhouding staat tot de zwaarte van de overtredingen en de beoogde effectieve werking van de lasten. De rechtbank heeft hierbij terecht betrokken dat het college al in 2017 voor het strijdige gebruik van de kantoorvilla en al in 2019 voor het strijdige gebruik van de recreatieverblijven een last onder dwangsom heeft opgelegd, maar dat dit kennelijk onvoldoende effect had. Om [appellant] en Jachthuis Resort ertoe te bewegen het strijdige gebruik alsnog te beëindigen en beëindigd te houden is het dan ook logisch dat het college bij de nieuwe lasten dwangsombedragen hanteert die hoger of op zijn minst even hoog zijn als bij de vorige lasten onder dwangsom. Gelet hierop is de hoogte van de dwangsom van € 100.000,00 ineens voor het hervatten van het strijdige gebruik van de kantoorvilla redelijk, omdat het dwangsombedrag even hoog is als bij de eerdere last onder dwangsom uit 2017.

Verder staat de hoogte van de dwangsom van € 100.000,00 per maand voor het strijdige gebruik van de recreatieverblijven en het receptiegebouw naar het oordeel van de Afdeling in redelijke verhouding tot de door het college gestelde gemiddelde opbrengst van tot wel € 96.000,00 per maand voor de verhuur van de recreatieverblijven.

Dat het college nu ook meteen de hogere dwangsombedragen heeft verbonden aan de aan de Jachthuis Resort opgelegde last om het strijdige gebruik van de recreatieverblijven en het receptiegebouw te staken, betekent niet dat ze onredelijk zijn. Zoals de rechtbank heeft vastgesteld, is [appellant] (via twee andere rechtspersonen) bestuurder en enig aandeelhouder van Jachthuis Resort, zodat zij alleen al daarom op de hoogte moet zijn geweest van de vorige handhavingsprocedures.

Dat de dwangsombedragen in feite zijn verdubbeld doordat zowel [appellant] als Jachthuis Resort elk een eigen dwangsom kunnen verbeuren, is naar het oordeel van de Afdeling in dit geval niet onredelijk. Het college heeft terecht aan zowel [appellant] als Jachthuis Resort een last onder dwangsom opgelegd, omdat zij allebei waren betrokken bij de verhuur van de recreatieverblijven en het receptiegebouw en de kantoorvilla en allebei wisten van de eerdere handhavingsprocedures. Bovendien zijn de bedragen ook opgeteld redelijk gelet op de berekende huuropbrengsten van de recreatieverblijven en gelet op het feit dat de eerdere dwangsom van € 100.000,00 voor de kantoorvilla onvoldoende effect had. Het college is daarnaast niet gehouden om de dwangsomhoogte af te stemmen op de verdeling van de opbrengsten tussen [appellant] en Jachthuis Resort

Het betoog slaagt niet.

Bron: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:RVS:2026:235

Print deze pagina

Leave a Reply

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *