ABRvS 15 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:2070 – “Nu niet kan worden vastgesteld dat er een overtreding bestond, was het college niet bevoegd om handhavend op te treden. “
Instantie: Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Datum uitspraak: 15 april 2026
Datum publicatie: 15 april 2026
ECLI: ECLI:NL:RVS:2026:2070
Is er een overtreding?
7. [appellant sub 2] betoogt dat de rechtbank in de tussenuitspraak ten onrechte heeft overwogen dat de bij besluit van 29 april 2022 verleende omgevingsvergunning niet op alle (ver)bouwwerkzaamheden aan de buitenkant van de voormalige smederij ziet. Volgens [appellant sub 2] is de omgevingsvergunning ook verleend voor de dakgoot die feitelijk naast de gevel is gerealiseerd. Hieruit volgt dat met de omgevingsvergunning ook legalisatie van de dakgoot naast de gevel is beoogd. De rechtbank heeft daarom ten onrechte overwogen dat er in zoverre een overtreding bestond, aldus [appellant sub 2].
7.1. Tussen partijen is niet in geschil dat de dakgoot aan de achterzijde van het pand op de [locatie 2] naast de gevel is gerealiseerd. Vast staat dat het college bij besluit van 29 april 2022 aan [appellant sub 2] een vergunning heeft verleend voor de isolatiewerkzaamheden aan het dak van de voormalige smederij, waaronder het realiseren van de dakgoot. Daarmee heeft het college de (ver)bouwwerkzaamheden aan de panden op de [locatie 1] en [locatie 2] in Domburg gelegaliseerd ten tijde van het besluit op bezwaar van 29 april 2022, waarbij het bij besluit van 7 december 2021 afgewezen handhavingsverzoek ten aanzien van die werkzaamheden in stand is gelaten. De rechtbank heeft evenwel geoordeeld dat de naast de gevel gerealiseerde dakgoot niet is aangevraagd en daarom niet op grond van de op 31 maart 2021 ingediende aanvraag kon worden gelegaliseerd, zodat het college ten onrechte voor alle (ver)bouwwerkzaamheden concreet zich op legalisatie heeft aangenomen. De Afdeling volgt de rechtbank niet en zij overweegt daartoe het volgende. In het besluit van 29 april 2022 waarbij de omgevingsvergunning is verleend, staat dat de bijgevoegde gewaarmerkte stukken onderdeel zijn van de vergunning. De aanvraag en de bijbehorende foto’s en bouwtekeningen bevatten een dergelijk waarmerk en zijn daarom een onderdeel van de vergunning. Op de zitting is met partijen vastgesteld dat de aanvraag verschillende bouwtekeningen bevat die met elkaar in tegenspraak zijn. Op de detailtekening van Studio voor architectuur en vormgeving van 29 januari 2020, gewijzigd op 20 april 2021, is op het weergegeven achteraanzicht een goot voorzien die naast de gevel hangt en daarmee over de perceelgrens is voorzien. Bij de vergunning zijn daarnaast twee handgetekende bouwtekeningen gevoegd, waarbij de goot op de gevel is voorzien. Het college en [appellant sub 2] hebben in de stukken en op de zitting toegelicht dat de bouwtekeningen waarbij de goot op de gevel is voorzien een schets betreft met een concept voor een oplossing van het tussen [appellant sub 1] en [appellant sub 2] bestaande geschil over de goot. Nog daargelaten of, zoals [appellant sub 2] stelt, de bouwtekeningen met de schets ten onrechte door het college zijn opgenomen in de vergunning, maken zij daar wel deel van uit, zoals blijkt uit de tekst van de vergunning en het waarmerk dat op de tekeningen staat. Omdat, gelet op het voorgaande, de vergunning onvoldoende duidelijkheid biedt over de al gerealiseerde dakgoot aan de achterzijde, kan niet worden vastgesteld of de vergunning ziet op een op de gevel te plaatsen dakgoot of een naast de gevel en dus hangend boven het perceel van [appellant sub 1] te plaatsen dakgoot. Het college kon daarom ten tijde van het besluit op bezwaar van 29 april 2022 niet vaststellen of, en zo ja, in hoeverre de dakgoot in strijd met de aangevraagde en op 29 april 2022 verleende vergunning is geplaatst. Nu niet kan worden vastgesteld dat er een overtreding bestond, was het college niet bevoegd om handhavend op te treden. De rechtbank heeft dit ten onrechte niet onderkend.
Het betoog slaagt. Omdat de hiervoor besproken beroepsgrond slaagt, komt de Afdeling niet toe aan bespreking van de overige hoger beroepsgronden van [appellant sub 2].
Het hoger beroep van [appellant sub 1]
8. Omdat het incidenteel hoger beroep van [appellant sub 2] slaagt, zullen de tussenuitspraak en de einduitspraak van de rechtbank worden vernietigd. Om die reden komt de Afdeling ook niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van het hoger beroep van [appellant sub 1].
Bron: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:RVS:2026:2070
Leave a Reply