ABRvS 15 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4953 – Artikel 8.2a Wabo dekt niet alleen ‘bouwen’ woonboot, maar ook ‘gebruiken’. Geen toetsing van artikel 8.2a Wabo aan evenredigheidsbeginsel: contralegem interpretatie zou leiden tot strijd met rechtszekerheid overtreder.
Instantie Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Datum uitspraak: 15 oktober 2025
Datum publicatie: 15 oktober 2025
ECLI: ECLI:NL:RVS:2025:4953
Fragment:
Zijn de woonboten bij toepassing van artikel 8.2a, tweede lid, van de Wabo gelijk te stellen met bouwwerken waarvoor een omgevingsvergunning is verleend?
4. [appellante] en andere betogen dat de rechtbank ten onrechte niet heeft onderkend dat de woonboten niet gelijkgesteld kunnen worden met bouwwerken waarvoor een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 8.2a, tweede lid, is verleend, omdat aan de toepassingsvoorwaarden van deze bepaling volgens hen niet is voldaan. Daartoe betogen zij in de eerste plaats dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de Haven- en Kadeverordening 2016 wel van toepassing is op de woonboten. Voor de woonboten was volgens hen een vergunning vereist op grond van die verordening, waarover niet werd beschikt, zodat de woonboten niet onder het tweede lid van artikel 8.2a van de Wabo vallen.
Verder is artikel 8.2a, tweede lid, van de Wabo volgens hen ook om een andere reden niet van toepassing. Daartoe betogen zij dat er ten tijde van de inwerkingtreding van de Wet verduidelijking voorschriften woonboten (hierna: de Wvvw) voor de woonboten geen provinciale of gemeentelijke verordening gold waarin expliciet was bepaald dat voor het bouwen of gebruiken van een woonboot geen vergunning of ontheffing is vereist. Daarom kan op grond van artikel 8.2a, tweede lid, geen sprake zijn van een gelijkstelling. Dat de wetgever deze uitleg van dat artikellid voor ogen had, blijkt volgens [appellante] en andere uit de uitspraak van de Afdeling van 19 december 2018, ECLI:NL:RVS:2018:4172, onder 2.14. Zij wijzen daarnaast ook op artikel 8.2a, derde lid, waarin staat dat voorwaarden waaronder een vergunning of ontheffing als bedoeld in het eerste of tweede lid is verleend, worden gelijkgesteld met aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften.
Daarnaast betogen [appellante] en andere dat artikel 8.2a, tweede lid, hoe dan ook niet zover strekt dat daarmee ook woonboten in strijd met het bestemmingsplan kunnen worden gelegaliseerd. Het overgangsrecht is volgens hen slechts van toepassing op situaties die op 1 januari 2018 legaal waren en waarover eerder een ruimtelijke afweging was gemaakt. Zij wijzen in dat verband onder meer op de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling, de brief van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 8 mei 2020 als ook op de uitspraak van de Afdeling van 28 juni 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2498, onder 6.3., waaruit dat volgens hen blijkt.
4.1. Met de inwerkingtreding van de Wvvw op 1 januari 2018 is artikel 8.2a aan de Wabo toegevoegd. Op grond van artikel 8.2a, tweede lid, van de Wabo wordt in bepaalde situaties een woonboot of een ander drijvend object dat hoofdzakelijk wordt gebruikt voor verblijf met ingang van het tijdstip van inwerkingtreding van de Wvvw gelijkgesteld met een bouwwerk waarvoor, voor zover hier van belang, een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de Wabo is verleend. Dat is het geval als de woonboot of het drijvende object op 1 januari 2018 hoofdzakelijk werd gebruikt voor verblijf en daarvoor krachtens een provinciale of gemeentelijke verordening een vergunning of ontheffing was verleend (het eerste lid van artikel 8.2a van de Wabo) of voor de woonboot of het drijvende object tot die datum krachtens een provinciale of gemeentelijke verordening geen vergunning of ontheffing werd vereist voor het bouwen of gebruiken ervan (het tweede lid van artikel 8.2a van de Wabo).
Vast staat dat de woonboten, waarop het handhavingsverzoek betrekking heeft, aanwezig waren op 1 januari 2018 en een bouwwerk betreffen dat op dat moment hoofdzakelijk werd gebruikt voor verblijf.
4.2. Over het betoog dat de rechtbank heeft miskend dat de Haven- en Kadeverordening 2016 (hierna: de verordening) van toepassing is op de woonboten en er krachtens die verordening een vergunning voor de woonboten werd vereist, waarover niet werd beschikt, overweegt de Afdeling het volgende.
In artikel 1.2 van de verordening staat dat deze van toepassing is in de havens, los- en laadplaatsen in de gemeente zoals aangeduid op de ligplaatsenkaart. De woonboten liggen gemeerd in het Maas- en Waalkanaal. Het desbetreffende deel van het Maas- en Waalkanaal is in artikel 1.1 niet genoemd als haven en is niet aangeduid op de ligplaatsenkaart.
De verordening is op grond van artikel 1.2 ook van toepassing op vaartuigen die buiten een haven, maar binnen de gemeente direct of indirect gemeerd liggen aan kaden, aanlegsteigers, meerpalen of andere voorzieningen in beheer bij de gemeente. Tussen partijen is niet in geschil dat de kade waaraan de woonboten gemeerd zijn, niet in beheer is bij de gemeente. Rijkswaterstaat voert daarover het beheer.
Gelet hierop heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat de verordening niet van toepassing is op de woonboten, zodat er tot 1 januari 2018 van een vergunningplicht voor de woonboten op grond van deze verordening geen sprake was. De rechtbank is tot dezelfde conclusie gekomen.
Het betoog slaagt in zoverre niet.
4.3. Over het betoog van [appellante] en andere dat zich een overtreding heeft voorgedaan, omdat artikel 8.2a, tweede lid, van de Wabo geen betrekking kan hebben op het met de bestemming “Water” strijdige gebruik van de woonboten, overweegt de Afdeling het volgende.
Met artikel 8.2a, tweede lid, van de Wabo heeft de wetgever beoogd een oplossing te bieden voor de situatie die is ontstaan voor woonboten die na de uitspraak van 16 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1331, illegaal bleken te zijn, omdat ze moesten worden aangemerkt als bouwwerk in de zin van de Woningwet en de Wabo, maar waarvoor geen omgevingsvergunning was verleend. In dit artikel is overgangsrecht opgenomen voor alle bestaande woonboten en bestaande andere drijvende objecten die hoofdzakelijk werden gebruikt voor verblijf, die voorheen niet werden aangemerkt als bouwwerken. Zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 1 augustus 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2577, onder 6.4, moet het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan in artikel 8.2a van de Wabo in ruime zin worden uitgelegd. Dat wil zeggen dat het begrip gebruiken betrekking heeft op zowel het gebruik van gronden of bouwwerken als het bouwen en slopen van bouwwerken in strijd met planologische regelgeving, in het bijzonder het bestemmingsplan. In artikel 8.2a van de Wabo wordt de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo, niet beperkt in die zin dat deze uitsluitend ziet op het niet voldoen aan de bouwregels van het bestemmingsplan. Het moet er dan ook voor worden gehouden dat de in de overgangsregeling opgenomen gelijkstelling niet alleen de strijdigheid met de bouwregels in het bestemmingsplan legaliseert, maar ook het met het bestemmingsplan strijdige gebruik van een bouwwerk, aldus is in die uitspraak overwogen.
De uitspraak van 28 juni 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2498, waar [appellante] en andere in het bijzonder op hebben gewezen, leidt niet tot een ander oordeel. Uit die uitspraak kan namelijk niet worden afgeleid dat de Afdeling daarin is teruggekomen op de uitleg dat ook het met het bestemmingsplan strijdige gebruik van een bouwwerk wordt gelegaliseerd. Evenals de rechtbank ziet de Afdeling daarom geen grond voor het oordeel dat de gelijkstelling in artikel 8.2a, tweede lid, niet van toepassing is op het gebruik van een woonboot in strijd met de bestemming.
Het betoog slaagt in zoverre niet.
Bron: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:RVS:2025:4953
Leave a Reply