ABRvS 2 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1465 – Reeks besluiten die zien op (handhaving) bij arbeidsmigranten hadden naar gemachtigde gestuurd moeten worden.

Print deze pagina

Is het bezwaar tegen het primair besluit 2 niet-ontvankelijk?

5.       De burgemeester betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het bezwaar van [appellant sub 2] tegen het primair besluit 2 ontvankelijk is. De burgemeester voert hiertoe aan dat hij niet verplicht was om een afschrift van de verleende exploitatievergunning aan [appellant sub 2] of zijn gemachtigde te sturen. Bovendien had [appellant sub 2] niet kenbaar gemaakt dat de gemachtigde in de zaak over het primair besluit 1 en het besluit op bezwaar1 ook in toekomstige procedures als zodanig zou optreden.

5.1.    Artikel 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) luidt: “Ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift blijft niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.”

Artikel 2:1, eerste lid, luidt: “Een ieder kan zich ter behartiging van zijn belangen in het verkeer met bestuursorganen laten bijstaan of door een gemachtigde laten vertegenwoordigen.”

Volgens vaste rechtspraak vloeit uit artikel 2:1 van de Awb voort dat het optreden van een gemachtigde tot gevolg heeft dat het contact met de belanghebbende in beginsel via deze gemachtigde verloopt. Vergelijk de uitspraken van 2 januari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:10 en 16 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4160.

5.2.    [appellant sub 2] heeft bezwaar gemaakt tegen het primair besluit 1 en op 7 april 2020 beroep ingesteld tegen het besluit op bezwaar 1. In beide gevallen via zijn gemachtigde. De burgemeester heeft bij brief van 7 juli 2020 [appellant sub 2] op de hoogte gesteld van het primair besluit 2. Het beroep tegen het besluit op bezwaar 1 was toen nog in behandeling bij de rechtbank. Het primair besluit 2 strekt tot verlenging van de geldigheidsduur van de exploitatievergunning, die bij het primair besluit 1 is verleend en bij het besluit op bezwaar 1 is gehandhaafd. Onder deze omstandigheden had de burgemeester redelijkerwijs ervan uit moeten gaan dat de gemachtigde van [appellant sub 2] ook ten aanzien van het primair besluit 2 als gemachtigde zou optreden. Dat betekent dat de burgemeester – ondanks dat voor de bekendmaking van het besluit toezending aan [appellant sub 2] niet is vereist – toen hij overging tot toezending van het primair besluit 2, op grond van artikel 2:1 van de Awb deze toezending had moeten laten plaatsvinden aan de gemachtigde van [appellant sub 2]. Dat heeft de burgemeester niet gedaan. Verder behoefde [appellant sub 2], gelet op de inhoudelijke samenhang van de besluiten, niet te begrijpen dat het primair besluit 2 een nieuw besluit op aanvraag was en daarom door de burgemeester mogelijk niet naar de gemachtigde was verzonden.

De gemachtigde heeft onbetwist gesteld dat hij op 9 juni 2021 op de hoogte was gesteld van het primair besluit 2 en daarom pas op 14 juni 2021 bezwaar heeft gemaakt. De gemachtigde heeft hiermee zo spoedig als redelijkerwijs mogelijk bezwaar gemaakt.

Gelet op deze omstandigheden is de Afdeling, net als de rechtbank, van oordeel dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is. De rechtbank heeft daarom terecht geoordeeld dat de burgemeester het bezwaar van [appellant sub 2] tegen het primair besluit 2 ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard.

Het betoog slaagt niet.

 

https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:RVS:2025:1465

Print deze pagina

Leave a Reply

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *