ABRvS 20 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4008 – Boete Wml gaat onderuit: verklaringen werknemers onvoldoende betrouwbaar.

Print deze pagina

Instantie Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Datum uitspraak: 20 augustus 2025

Datum publicatie: 20 augustus 2025

ECLI: ECLI:NL:RVS:2025:4008

Fragment:

Overtreding op grond van artikel 18b, tweede lid, van de Wml

8.       In de tweede plaats betoogt [appellant] dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de staatssecretaris op grond van artikel 18b, tweede lid, van de Wml, bevoegd was om een boete op te leggen. [appellant] betwist de in de boeterapporten opgenomen verklaringen. Hij voert aan dat de staatssecretaris niet uit mocht gaan van de verklaring van [werknemer A] van 21 april 2018, maar dat hij uit moest gaan van die van 1 maart 2019 en de op de zitting bij de rechtbank afgelegde verklaring. De nadere verklaringen van [werknemer A] houden onder meer in dat hij niet in december 2017 bij het restaurant heeft gewerkt, dat hij maandelijks betaald kreeg, dat hij de app Tamigo gebruikte om zijn werkuren te registreren en dat hij geen goede uitleg heeft gekregen toen hij werd gehoord door de Nederlandse Arbeidsinspectie. Hij spreekt en begrijpt de Nederlandse taal niet goed. [appellant] stelt ook dat hij voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij geen loonstrook en betalingsbewijs van [werknemer B] van december 2017 heeft omdat het loon van december 2017 is verwerkt in het loon van januari 2018. [werknemer B] had namelijk maar zes dagen gewerkt in december 2017 en had verder onbetaald verlof genomen. Ook heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat de staatssecretaris mocht overgaan tot openbaarmaking van de inspectieresultaten, aldus [appellant].

8.1.    Niet in geschil is dat [werknemer A] en [werknemer B] de Nederlandse taal niet goed beheersen. Noch in de verklaringen van [werknemer A] en [werknemer B] noch in de boeterapporten staat vermeld of de Nederlandse Arbeidsinspectie wel of geen tolk heeft ingeschakeld tijdens de gehoren van [werknemer A] en [werknemer B] op 21 april 2018. De verklaringen van [werknemer A] en [werknemer B] bestaan uit formulieren die met de hand zijn ingevuld en waarop een aantal handgeschreven Nederlandse zinnen staan, waarvan er een paar zijn doorgehaald. Niet bekend is wie de formulieren heeft ingevuld en wie woorden uit de verklaringen heeft doorgehaald. Ook blijkt er nergens uit dat de opgestelde verklaringen aan [werknemer A] en [werknemer B] zijn voorgelezen. In de verklaringen van andere werknemers staat wel dat zij hun verklaring hebben doorgelezen of dat de verklaring aan hen is voorgelezen. Ook staat in de andere verklaringen of er wel of geen tolk is ingeschakeld. Onder deze omstandigheden is de Afdeling van oordeel dat grond bestaat voor zodanige twijfel aan de betrouwbaarheid van de verklaringen die in de boeterapporten zijn opgenomen dat deze niet aan de vaststelling van de overtreding ten grondslag kunnen worden gelegd. De rechtbank heeft daarom ten onrechte overwogen dat de staatssecretaris in zijn besluitvorming doorslaggevend gewicht heeft mogen toekennen aan de verklaringen van [werknemer A] en [werknemer B] die zijn afgelegd aan de Nederlandse Arbeidsinspectie.

8.2.    Dit betekent dat niet is aangetoond dat [appellant] artikel 18b, tweede lid, van de Wml heeft overtreden. De staatssecretaris was niet bevoegd om op grond van dit artikel een boete op te leggen. De rechtbank is ten onrechte tot een ander oordeel gekomen. Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank ook ten onrechte geoordeeld dat de staatssecretaris op grond van artikel 18pa, eerste lid, van de Wml de inspectieresultaten openbaar mocht maken.

Het betoog slaagt.

Bron: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:RVS:2025:4008

Print deze pagina

Leave a Reply

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *