ABRvS 21 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2223 – Lex mitior – wijziging recht hangende hoger beroep ten gunste van overtreder = lagere boete.
Instantie Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Datum uitspraak: 21 mei 2025
Datum publicatie: 21 mei 2025
ECLI: ECLI:NL:RVS:2025:2223
Fragment:
Overtreding van 28 juni 2019 op de groep [naam groep 1] en de overtreding van 12 juli 2019 op de groep [naam groep 2]
7. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte de opgelegde boetes voor de overtredingen van de BKR op 28 juni 2019 op de groep [naam groep 1] en op 12 juli 2019 op de groep [naam groep 2] niet heeft gematigd. Op beide dagen is namelijk minder dan drie uur afgeweken van de BKR. Een boete van € 2.500,00 per overtreding is daarom onevenredig.
7.1. Niet in geschil is dat [appellante] op 28 juni 2019 en op 12 juli 2019 is afgeweken van de BKR. De rechtbank heeft overwogen dat op beide dagen sprake was van een overtreding van artikel 7, tweede lid, van het Besluit. Deze overtreding heeft het college echter niet ten grondslag gelegd aan het boetebesluit. Het college heeft op de zitting erkend dat overtredingen van artikel 7, vierde lid, van het Besluit aan het boetebesluit ten grondslag zijn gelegd. De Afdeling ziet deze overtredingen dan ook als overtredingen van de BKR buiten de in het pedagogisch werkplan vastgestelde tijden.
7.2. Met ingang van 1 juli 2023 is het Besluit gewijzigd. Van 1 januari 2018 tot 1 juli 2023 moest het pedagogisch beleidsplan op grond van artikel 3, derde lid en onder a, een concrete beschrijving bevatten van de tijden waarop, met inachtneming van artikel 7, vierde lid, kan worden afgeweken van de BKR. Met ingang van 1 juli 2023 is dit gewijzigd in de zin dat het pedagogisch beleidsplan niet langer de tijden waarop van de BKR kan worden afgeweken hoeft te bevatten, maar dat het een concrete beschrijving moet bevatten van de kaders waarbinnen verantwoord afgeweken kan worden van de BKR.
7.3. Op grond van artikel 5:46, vierde lid, van de Awb is het lex mitior-beginsel van artikel 1, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht van overeenkomstige toepassing. Op grond van dit beginsel moet bij verandering van wetgeving of lagere regelgeving na het tijdstip waarop het feit begaan is, de voor de betrokkene gunstigste bepaling worden toegepast. Dit beginsel ziet ook op het vervallen van strafbaarstelling. Het is dan wel van belang dat de wijziging is gebaseerd op verandering van inzicht van de wetgever over de strafwaardigheid van de vóór de wetswijziging begane strafbare feiten (zie ook het arrest van de Hoge Raad van 12 juli 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP6878).
7.4. Daarvan is in dit geval sprake. Uit de Nota van Toelichting bij de wijzing (Stb. 2023/144) blijkt namelijk dat de wetgever niet meer van mening is dat de kwaliteit van de kinderopvang geborgd moet worden door het naleven van de concreet beschreven tijden waarop kan worden afgeweken van de BKR. Hoewel de regel dat maximaal drie uur mag worden afgeweken van de BKR in stand is gebleven, is een bestanddeel hiervan weggevallen.
7.5. De Afdeling merkt op dat de wijziging van het Besluit dateert van na de uitspraak van de rechtbank, waardoor de rechtbank in zijn uitspraak van 21 november 2022 hier geen rekening mee heeft kunnen houden. De Afdeling moet dit wel doen. Dit betekent dat de boetes die zijn opgelegd voor de overtredingen van de BKR van 28 juni 2019 bij de groep [naam groep 1] en de overtreding van 12 juli 2019 bij de groep [naam groep 2] niet in stand kunnen blijven wegens strijd met artikel 5:46, vierde lid, van de Awb. Dit heeft het college op de zitting bij de Afdeling ook erkend.
7.6. Het betoog slaagt.
Bron: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:RVS:2025:2223
Leave a Reply