ABRvS 23 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3414 – Sluiting Camping Fort Oranje rechtmatig.
Instantie Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Datum uitspraak: 23 juli 2025
Datum publicatie: 23 juli 2025
ECLI: ECLI:NL:RVS:2025:3414
Fragment:
13.1.
Volgens artikel 17, eerste lid, van de Woningwet kan het bevoegd gezag, indien herhaaldelijke overtreding van artikel 1a of artikel 1b naar het oordeel van het bevoegd gezag gepaard gaat met een bedreiging van de leefbaarheid of een gevaar voor de gezondheid of de veiligheid, besluiten dat gebouw, open erf of terrein te sluiten.
13.2.
De Afdeling zal allereerst het standpunt van het college beoordelen dat artikel 17, eerste lid, van de Woningwet kan worden toegepast op het gehele recreatiepark (dus: het terrein inclusief de daarop staande gebouwen). Dit omdat de uitkomst van deze beoordeling van invloed is op de vraag hoe de toets aan de overige twee vereisten die in dit artikel worden gesteld er uit moet zien. De Afdeling zal in de tweede plaats beoordelen of zich herhaaldelijke overtreding heeft voorgedaan van artikel 1a of artikel 1b van de Woningwet. In de derde plaats zal de Afdeling beoordelen of het college kon oordelen dat deze herhaaldelijke overtreding gepaard ging met een bedreiging van de leefbaarheid of een gevaar voor de gezondheid of de veiligheid.
13.2.1.
Het college heeft in het besluit van 23 juni 2017 besloten “om op grond van artikel 17, eerste lid, van de Woningwet het terrein Recreatiepark Fort Oranje en de daarop gelegen woningen per 23 juni 2017 te 15:00 uur te sluiten”. Voorts heeft het college besloten om “het beheer van Recreatiepark Fort Oranje en de daarop liggende woningen (…) over te nemen”.
De Afdeling begrijpt hieruit dat het college er vanuit is gegaan dat artikel 17, eerste lid, van de Woningwet kan worden toegepast op het recreatiepark, dat wil zeggen het terrein inclusief de daarop staande gebouwen.
13.2.2.
Ten aanzien van het betoog dat artikel 17, eerste lid, van de Woningwet niet toepasbaar is op zowel het recreatiepark als de gebouwen en de infrastructuur, overweegt de Afdeling als volgt.
In de Woningwet zijn geen omschrijvingen opgenomen van de begrippen “terrein”, “erf” en “open erf” als bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Woningwet. Onder verwijzing naar overweging 4.3 van de uitspraak van de Afdeling van 27 februari 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:622) moet daarom voor de betekenis van deze begrippen worden aangesloten bij de in artikel 1.1, eerste lid, van het Bouwbesluit 2012 gegeven omschrijving. Hierin is de term “erf” omschreven als: al dan niet bebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een hoofdgebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw, en, voor zover een bestemmingsplan of een beheersverordening van toepassing is, deze die inrichting niet verbieden. Verder is de term “open erf” in dat artikel omschreven als: onbebouwd deel van een erf. Voorts is de term “terrein” daarin omschreven als: bij een bouwwerk behorend onbebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, niet zijnde een erf.
Naar het oordeel van de Afdeling bestaat het recreatiepark uit meerdere bouwwerken, open erven en terreinen als bedoeld in artikel 1a of 1b van de Woningwet. Voor zover de onbebouwde gedeelten van de op het recreatiepark liggende percelen geen erf zijn, zijn deze gedeelten naar het oordeel van de Afdeling meerdere terreinen. Voor zover de onbebouwde gedeelten erven zijn en daarom niet als terrein zouden kunnen worden aangemerkt, zijn dat open erven als hiervoor bedoeld. Dat op sommige onbebouwde gedeelten van het recreatiepark wegen zijn aangelegd, maakt naar het oordeel van de Afdeling niet dat er geen sprake meer kan zijn van een terrein’. Daarbij is van belang dat deze wegen behorend bij dan wel ten dienste van de gezamenlijkheid van bouwwerken op het recreatiepark, worden aangemerkt.
Divine betoogt tevergeefs dat de op het recreatiepark gelegen erven niet direct zijn gelegen bij of ten dienste staan van een hoofdgebouw en dat deze terreinen niet behoren bij een bouwwerk als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van het Bouwbesluit 2012. Nu niet is gebleken dat het gebied van het recreatiepark was verdeeld in afzonderlijke gedeelten die elk uitsluitend behoorden bij de individuele stacaravans, de winkel, het kantinegebouw, het receptiegebouw of andere bouwwerken en gebouwen, kan het geheel als terreinen en erven, behorend bij dan wel ten dienste van een gezamenlijkheid van bouwwerken en gebouwen, worden aangemerkt.
13.2.3.
De Afdeling overweegt verder dat de zinsnede ‘gebouw, open erf of terrein’ als bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Woningwet moet worden begrepen als ‘gebouw, open erf en/of terrein’. Ter vergelijking wijst de Afdeling op artikel 3.12 van de Aanwijzingen voor de regelgeving. Hierin staat dat het gebruik van de uitdrukking en/of achterwege blijft. In de toelichting bij dat artikel staat dat indien in een opsomming van gevallen ‘of’ wordt gebruikt, daaronder mede is begrepen de situatie dat meer dan één van de genoemde gevallen zich tegelijk voordoen. Anders dan appellanten betogen, hoeft er voor de toepassing van dat artikel derhalve niet altijd sprake te zijn van één gebouw of één open erf of één terrein. Ook bij gebouwen, open erven en terreinen die tezamen als één geheel kunnen worden aangemerkt, bestaat de bevoegdheid om artikel 17, eerste lid, van de Woningwet toe te passen. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de rechtbank terecht overwogen dat de op het recreatiepark gelegen gronden met de daarop aanwezige individuele stacaravans en andere gebouwen, zoals de winkel, het kantinegebouw en het receptiegebouw, kunnen worden aangemerkt als één geheel van gebouwen, open erven en terreinen als bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de Woningwet. Daarbij betrekt de Afdeling dat deze gebouwen, open erven en terreinen qua uiterlijk, opzet en uitstraling in onderlinge samenhang bezien bij elkaar horen en naar buiten toe als één bij elkaar horend geheel worden gepresenteerd onder de naam recreatiepark Fort Oranje. Ook is van belang dat het recreatiepark omheind is, twee centrale in- en uitgangen met een ontvangst- en receptiegebouw heeft vanuit waar alle stacaravans en staplaatsen die eigendom zijn van Fort Oranje BV verhuurd worden voor gebruik, en dat het recreatiepark, behalve voor wat betreft de zeven kavels waar de besluiten van 23 juni 2017 geen betrekking op hebben, dezelfde eigenaar heeft.
De Afdeling sluit met dit oordeel aan bij de arresten van het gerechtshof van ’s-Hertogenbosch van 19 augustus 2020 (ECLI:NL:GHSHE:2020:2612) en van 20 augustus 2020 (ECLI:NL:GHSHE:2020:2613, de conclusie van de Procureur Generaal A.G. Hofstee van 22 juni 2021 (ECLI:NL:PHR:2021:591), en het arrest van de Hoge Raad van 12 oktober 2021 (ECLI:NL:HR:2021:1408).
13.2.4.
Divine betoogt tevergeefs dat Fort Oranje BV ten tijde van het nemen van de besluiten van 23 juni 2017 geen eigenaar was van het recreatiepark. Gelet op de kadastrale uittreksels en de kadastrale kaart die als bijlage 3 en 4 onderdeel uitmaken van de besluiten op bezwaar is het recreatiepark uitsluitend gelegen op gronden die in eigendom zijn van Fort Oranje BV, behalve voor wat betreft de zeven percelen waar de besluiten van 23 juni 2017 geen betrekking op hebben.
De rechtbank heeft terecht overwogen dat bewoners van de stacaravans op de gronden waarop de besluiten betrekking hebben geen eigenaar zijn van de stacaravan waarin zij wonen. Daarbij is van belang dat in artikel 5:20, eerste lid, onder e, van het BW is bepaald dat de eigendom van de grond omvat, voor zover de wet niet anders bepaalt, de eigendom van de gebouwen en werken die duurzaam met de grond zijn verenigd, hetzij rechtstreeks, hetzij door vereniging met andere gebouwen en werken, voor zover ze geen bestanddeel zijn van eens anders onroerende zaak. Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college aannemelijk gemaakt dat de zich op het recreatiepark bevindende stacaravans duurzaam met de grond zijn verenigd zoals hiervoor bedoeld.
Verder is niet in geschil dat er geen opstalrechten zijn gevestigd ten gunste van de bewoners. Gelet hierop gaat de Afdeling ervan uit dat de eigenaar van het recreatiepark, Fort Oranje BV, eigenaar is van alle gebouwen op dat recreatiepark, behalve voor wat betreft de eerder genoemde zeven percelen waar de besluiten van 23 juni 2017 geen betrekking op hebben.
Divine stelt daarbij tevergeefs dat 400 stacaravans bij de invoering van het BW in 1993 al ter plaatse op het recreatiepark stonden en dat er om die reden geen toepassing kan worden gegeven aan 5:20, eerste lid, van het BW. Daargelaten de vraag of de wet heeft voorzien in overgangsrecht voor artikel 5:20, eerste lid, van het BW, heeft Divine deze stelling verder niet onderbouwd. Daarbij is het ook aan Divine als degene, die een beroep doet op overgangsrecht, dat beroep met feiten en omstandigheden te onderbouwen.
Bron: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:RVS:2025:3414
Leave a Reply