ABRvS 25 juni 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2846 – Verhouding toezicht en opsporing: heeft de Arbeidsinspectie misbruik gemaakt van opsporingsbevoegdheden?

Print deze pagina

Instantie Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Datum uitspraak: 25 juni 2025

Datum publicatie: 25 juni 2025

ECLI: ECLI:NL:RVS:2025:2846

Fragment:

Wat heeft [appellante] aangevoerd?

3.       [appellante] voert aan dat het besluit om de boete op te leggen niet correct tot stand is gekomen. Volgens haar hebben de arbeidsinspecteurs strafrechtelijke onderzoeks- en opsporingsbevoegdheden misbruikt. De rechtbank heeft volgens [appellante] ten onrechte overwogen dat het strafdossier geen op de zaak betrekking hebbend stuk is. Arbeidsinspecteurs beschikten, zo stelt zij, namelijk wel over het strafdossier. Daarvoor verwijst [appellante] onder meer naar de verklaring van haar vertegenwoordiger. Over de correspondentie betoogt [appellante] dat het standpunt van de minister impliceert dat sprake is van een gewichtige reden in de zin van artikel 8:29 van de Awb als een uitsluitingsgrond in de zin van de Wet open overheid (hierna: Woo) van toepassing is. Dat is volgens [appellante] een onjuiste interpretatie van de wet. Het belang van [appellante] moet zwaarder wegen omdat zij wezenlijk in haar procesvoering wordt belemmerd. Bovendien valt volgens [appellante] niet in te zien welk onderzoeksbelang van het OM in het gedrang kan komen nu het strafrechtelijke onderzoek uiteindelijk niet is doorgezet. Tot slot voert [appellante] aan dat het niet verstrekken van het strafdossier en de correspondentie in strijd is met artikel 6 van het EVRM. Op grond van die bepaling mag zij niet worden gefrustreerd in haar bewijsvoering en heeft zij recht op een volledig dossier, aldus [appellante].

Het oordeel van de Afdeling

4.       De Afdeling geeft [appellante] geen gelijk. Hieronder zal zij toelichten waarom niet.

Voordat zij dat doet nog het volgende. De Afdeling begrijpt dat [appellante] het niet eens is met de overweging van de rechtbank dat de feiten die aanleiding vormden voor het onderzoek en de boete niet ter discussie staan. [appellante] vindt dat zij pas inhoudelijke gronden kan aanvoeren als zij beschikt over alle stukken en heeft alleen om die reden nog niets aangevoerd tegen de feiten. De Afdeling ziet hierin echter geen grond om de aangevallen uitspraak te vernietigen.

Heeft de minister strafrechtelijke onderzoeks- en opsporingsbevoegdheden misbruikt?

5.       De Afdeling ziet, net zoals de rechtbank, geen aanwijzingen voor misbruik van onderzoeks- en opsporingsbevoegdheden. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen moet een strafbaar feit eerst aan het OM worden voorgelegd voordat een bestuursorgaan kan bekijken of het maatregelen gaat treffen. De arbeidsinspecteur moest dus aangifte doen toen er tijdens het onderzoek verdenkingen rezen van valsheid in geschrifte. De rechtbank mocht daarbij uitgaan van de door de minister gegeven verklaring over het verloop van het onderzoek, de verdeling van de taken over de twee betrokken directies “Meldingen en verzoeken” en “Opsporing” binnen het ministerie en de ingebouwde scheidingen daartussen. In wat [appellante] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding het oordeel van de rechtbank, dat er geen indicaties zijn dat bevoegdheden anders zijn uitgeoefend dan waarvoor ze zijn bedoeld, onjuist te achten.

Behoort het strafdossier tot de stukken van deze zaak?

6.       De Afdeling vindt van niet.

[appellante] heeft de Afdeling geen toestemming gegeven om de stukken van het strafdossier in te zien. De Afdeling kan dus niet wat in die stukken staat betrekken bij haar oordeel. Zij gaat uit van de stukken die zijn overgelegd.

Uit het boeterapport en de bijbehorende 20 bijlagen blijkt niet dat daarvoor gebruik is gemaakt van informatie uit het strafdossier. [appellante] heeft niet aannemelijk gemaakt dat de arbeidsinspecteurs ten behoeve van dat boeterapport toch toegang hadden of hebben gehad tot het strafdossier, temeer nu alle verklaringen die aan het boeterapport ten grondslag liggen dateren van voor de aangifte. Ook uit de aangehaalde passages van de verklaring van [appellante]s vertegenwoordiger volgt dat niet. Daarin staat dat de inspecteur beschikt over administratieve bescheiden uit een computer van [appellante]. Het verkrijgen van administratieve bescheiden is echter ook een bevoegdheid die de Awb geeft aan arbeidsinspecteurs. Dat het OM eveneens heeft gevorderd om bepaalde gegevens uit te leveren, betekent nog niet dat de arbeidsinspecteurs dus gebruik hebben gemaakt van het strafdossier. Verder steunt de vermeende bevestiging door de gemachtigde van de minister over zijn kennis van het strafdossier alleen op een passage in een brief van de gemachtigde van [appellante] en niet op een verklaring of document van de gemachtigde zelf. [appellante] heeft daarmee niet ontkracht dat de directies “Meldingen en verzoeken” en “Opsporing” los van elkaar onderzoek doen en niet in elkaars systemen kunnen komen. De rechtbank heeft terecht overwogen dat er onvoldoende aanknopingspunten zijn om het strafdossier aan te merken als onderdeel van de zaakstukken.

Moet de correspondentie aan [appellante] worden verstrekt?

7.       De Afdeling heeft de correspondentie gelezen. Zij is het eens met de minister dat er gewichtige redenen zijn om [appellante] daarin geen inzage te geven. Die gewichtige redenen zijn dat het OM en de inspecteurs van de directie “Opsporing” van het ministerie vrij moeten kunnen corresponderen over hun onderzoek. Het risico dat zij anders terughoudend zullen zijn in wat zij schrijven, acht de Afdeling aanwezig. Dat het strafrechtelijk onderzoek in deze zaak inmiddels is gestopt, betekent niet dat daardoor dat belang er ook niet meer is. Het gaat namelijk ook om toekomstige gevallen. De minister mocht dat belang in dit geval zwaarder laten wegen dan het belang van [appellante] om te kunnen beschikken over de correspondentie.

[appellante] heeft gelijk dat er volgens de wet geen gewichtige redenen zijn als de stukken op grond van de Woo openbaar moeten worden gemaakt en dat voor de toets of er gewichtige redenen zijn, niet alleen moet worden gekeken naar de weigeringsgronden uit die wet en haar voorganger de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: Wob). Anders dan [appellante] is de Afdeling met de rechtbank van oordeel dat de minister in dit geval niet de weigeringsgronden uit de Woo/Wob heeft toegepast bij de beoordeling van de gewichtige redenen maar slechts heeft gewezen op de erkenning van het opsporings- en onderzoeksbelang in die wetten.

Het klopt, zoals [appellante] betoogt, dat artikel 7:4 van de Awb niet in een regeling voorziet om voor de inzage een betrokkene om een zienswijze te vragen en de reactie daarop te betrekken bij de beoordeling. Anders dan [appellante] betoogt, betekent dat niet dat de minister dus niet het OM om en reactie had mogen vragen. Als de minister zijn bevoegdheid toepast om de stukken niet ter inzage te leggen, moet hij daarbij een zorgvuldige afweging te maken. Die afweging kan mede inhouden dat zienswijzen worden ingewonnen bij belanghebbenden. De Afdeling oordeelt daarom dat de minister in dit geval het OM om een zienwijze mocht vragen over de inzage van de correspondentie.

Het betoog slaagt niet.

Is het recht op een eerlijk proces geschonden?

8.       De Afdeling oordeelt met de rechtbank dat het recht op een eerlijk proces in dit geval niet is geschonden. Wat [appellante] tegen de aangevallen uitspraak heeft aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel.

Volgens vaste rechtspraak is het recht op een eerlijk proces niet in zijn essentie beperkt als betrokkene geen inzage krijgt in sommige stukken (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 31 oktober 2001, ECLI:NL:RVS:2001:AE3244). De reden daarvoor is dat de beperkingsmogelijkheid bij toepassing van de regelingen van artikel 7:4 en artikel 8:29 van de Awb met voldoende waarborgen is omkleed. Uitsluitend als zich gewichtige redenen voordoen en die zwaarder wegen dan het belang van de andere partij, kan de kennisneming worden beperkt. In de rechterlijke procedure beoordeelt de rechter of het belang waarop de verzoeker zich beroept aan de orde is en weegt vervolgens af of dat belang in dat geval zwaarder moet wegen dan het belang van de andere partij om kennis te kunnen nemen van de stukken. De Afdeling ziet in wat [appellante] heeft aangevoerd geen grond om deze rechtspraak te wijzigen.

Bron: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:RVS:2025:2846

Print deze pagina

Leave a Reply

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *