ABRvS 3 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4232 – Functioneel plegerschap rechtspersoon. Voldaan aan d) criterium (beschikkingsmacht en aanvaarding), daarmee sprake van overtrederschap.
Instantie Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Datum uitspraak: 3 september 2025
Datum publicatie: 3 september 2025
ECLI: ECLI:NL:RVS:2025:4232
Fragment:
Overtreder
– Beschikkingsmacht
6. [appellante] betoogt dat niet zij, maar [bedrijf A] (hierna: CV), de (economisch) eigenaar van de woning is. Omdat een commanditaire vennootschap in het kadaster niet als rechthebbende kan worden geregistreerd, heeft [appellante] het pand verkregen ten behoeve van de CV. [appellante] is niet bevoegd om over de woning te beschikken.
6.1. Gelet op artikel 5:1, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) wordt onder overtreder verstaan degene die de overtreding pleegt of medepleegt. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling is overtreder in de eerste plaats degene die de verboden handeling fysiek verricht. Voor beantwoording van de vraag of een ander als functionele pleger van de overtreding kan worden aangemerkt, is de Afdeling in haar uitspraken van 31 mei 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:2067 en ECLI:NL:RVS:2023:2071) aangesloten bij de strafrechtelijke criteria voor functioneel daderschap, zoals die zijn geformuleerd door de strafkamer van de Hoge Raad. Zoals de Afdeling uiteen heeft gezet in de uitspraak van 31 mei 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:2067), houdt de rechtspraak van de strafkamer van de Hoge Raad voor zover het gaat om rechtspersonen in dat een rechtspersoon kan worden aangemerkt als dader van een strafbaar feit, indien de desbetreffende gedraging redelijkerwijs aan die rechtspersoon kan worden toegerekend. Die toerekening is afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval, waartoe mede behoort de aard van de (verboden) gedraging. Een belangrijk oriëntatiepunt bij de toerekening is of de gedraging heeft plaatsgevonden dan wel is verricht in de sfeer van de rechtspersoon. Een dergelijke gedraging kan in beginsel worden toegerekend aan de rechtspersoon. Van een gedraging in de sfeer van de rechtspersoon kan sprake zijn, indien zich een of meer van de navolgende omstandigheden voordoen: a) het gaat om een handelen of nalaten van iemand die hetzij uit hoofde van een dienstbetrekking hetzij uit anderen hoofde werkzaam is ten behoeve van de rechtspersoon, b) de gedraging past in de normale bedrijfsvoering of taakuitoefening van de rechtspersoon, c) de gedraging is de rechtspersoon dienstig geweest in het door hem uitgeoefende bedrijf of in diens taakuitoefening, d) de rechtspersoon vermocht erover te beschikken of de gedraging al dan niet zou plaatsvinden en zodanig of vergelijkbaar gedrag werd blijkens de feitelijke gang van zaken door de rechtspersoon aanvaard of placht te worden aanvaard, waarbij onder bedoeld aanvaarden mede begrepen is het niet betrachten van de zorg die in redelijkheid van de rechtspersoon kon worden gevergd met het oog op de voorkoming van de gedraging. Vergelijk ook de arresten van de Hoge Raad van 21 oktober 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF7938 (Drijfmest-arrest) en van 26 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:733. De Afdeling heeft daarbij in de uitspraak van 31 mei 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2067, uiteengezet dat uit deze rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat niet vereist is dat alle of meerdere van de onder a) tot en met d) vermelde omstandigheden zich voordoen.
Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in een uitspraak van 10 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2830, moet het bestuursorgaan bewijzen dat aan de criteria voor functioneel daderschap is voldaan.
6.2. De Afdeling is van oordeel dat het college heeft aangetoond dat de overtreding aan [appellante] kan worden toegerekend, omdat sprake was van omstandigheid d), zoals hierboven bedoeld. Hiertoe overweegt de Afdeling als volgt.
6.3. [appellante] had als eigenaar beschikkingsmacht over de verhuur van de woning zonder huisvestingsvergunning. De overtreding houdt namelijk direct verband met de wijze waarop de woning wordt gebruikt. De eigenaar van een woning kan in de regel beschikken over dergelijk gebruik van zijn woning. Dat de CV economisch eigenaar zou zijn en de huurovereenkomst met de huurder heeft gesloten, doet niet af aan de omstandigheid dat [appellante] als juridisch eigenaar over de woning kon beschikken. Over het betoog van [appellante] dat zij haar bevoegdheden aan de CV heeft gemandateerd en dus geen beschikkingsmacht meer had, oordeelt de Afdeling dat dit voor rekening en risico van [appellante] komt. Verder neemt de Afdeling nog in aanmerking dat [appellante] en de CV nauw met elkaar zijn verbonden. In het uittreksel van het Handelsregister van de Kamer van Koophandel (hierna: KvK-uittreksel) is vermeld dat [appellante] enig vennoot is van de CV en dat [appellante] onbeperkt bevoegd is.
Het betoog slaagt niet.
Bron: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:RVS:2025:4232
Leave a Reply