ABRvS 4 maart 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1238 – Concurrent-belanghebbende is wel concurrent, maar het is uitgesloten dat zij feitelijke gevolgen ondervindt van de overtreding.
Instantie Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Datum uitspraak: 4 maart 2026
Datum publicatie: 4 maart 2026
ECLI: ECLI:NL:RVS:2026:1238
Fragment:
Heeft het college de handhavingsverzoeken buiten behandeling mogen stellen?
3. Het college betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het met de beslissingen van 18 april 2023 en 25 april 2023 terecht de verzoeken om handhaving van [wederpartij] buiten behandeling heeft gesteld. Het college was namelijk niet gehouden op die verzoeken een besluit te nemen, omdat [wederpartij] geen belanghebbende is bij die verzoeken. Het college voert daartoe allereerst aan dat [wederpartij] ten tijde van het nemen van de beslissingen haar panden niet verhuurde voor recreatief verblijf en daarmee feitelijk geen bedrijfsactiviteiten verrichtte. Als [wederpartij] wel feitelijk bedrijfsactiviteiten verrichtte ten tijde van de beslissingen van 18 april 2023 en 25 april 2023, dan vonden deze volgens het college niet plaats in hetzelfde marktsegment als de panden waarop de handhavingsverzoeken zien. De panden die [wederpartij] verhuurt, vallen namelijk in een ander marktsegment dan bijvoorbeeld de appartementen genoemd in de op 16 november 2022 door het college ontvangen handhavingsverzoeken. Verder gaat het niet bij alle handhavingsverzoeken om hetzelfde verzorgingsgebied, aldus het college. Een aantal van de panden waarop de handhavingsverzoeken zien, ligt op dusdanig grote afstand dat niet meer kan worden gesproken van hetzelfde verzorgingsgebied. Tot slot brengt het college naar voren dat uitgesloten is dat [wederpartij] feitelijke gevolgen zal ondervinden van de recreatieve verhuur van de panden, waarop de handhavingsverzoeken zich richten. Daartoe voert het college aan dat er duizenden woningen voor recreatief verblijf op verhuurbasis worden aangeboden binnen de gemeente Veere. De beweerdelijke recreatieve verhuur van 28 panden in strijd met het ter plaatse geldende bestemmingsplan, leidt niet tot gevolgen voor de verhuurbaarheid van de panden van [wederpartij].
3.1. Artikel 1:2, eerste lid, van de Awb luidt: “Onder belanghebbende wordt verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.”
Artikel 1:3, eerste lid, luidt: “Onder besluit wordt verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.”
Artikel 1:3, derde lid, luidt: “Onder aanvraag wordt verstaan: een verzoek van een belanghebbende, een besluit te nemen.”
Artikel 8:1, eerste lid, luidt: “Een belanghebbende kan tegen een besluit beroep instellen bij de bestuursrechter.”
3.2. Een onderneming heeft een concurrentiebelang als zij bedrijfsactiviteiten ontplooit in hetzelfde verzorgingsgebied en marktsegment als waarin de bedrijfsactiviteiten van haar concurrent plaatsvinden. Degene wiens concurrentiebelang rechtstreeks betrokken is bij het bestreden besluit, is belanghebbende. Van het uitgangspunt dat een concurrentiebelang in beginsel rechtstreeks is betrokken bij het besluit indien een concurrent werkzaam is in hetzelfde marktsegment en in hetzelfde verzorgingsgebied, kan alleen worden afgeweken als het uitgesloten is dat feitelijke gevolgen aanwezig zijn.
3.3. Zoals de Afdeling heeft overwogen in de uitspraak van 13 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1979, onder 4.2, is het voor de vraag of [wederpartij] in haar hoedanigheid als concurrent als belanghebbende bij haar handhavingsverzoeken kan worden aangemerkt niet relevant of zij zelf in strijd met wet- en regelgeving haar panden verhuurt voor recreatief verblijf. Van belang is slechts of zij feitelijk bedrijfsactiviteiten uitoefent in hetzelfde verzorgingsgebied en marktsegment als waarin de bedrijfsactiviteiten plaatsvinden ter plaatse van de panden waar de handhavingsverzoeken over gaan.
3.4. Niet in geschil is dat de panden van [wederpartij] aan de [locatie 2] en [locatie 3] in Westkapelle geschikt zijn voor de verhuur voor recreatief gebruik. Vast staat dat [wederpartij] deze twee panden jarenlang heeft verhuurd voor recreatief verblijf. Verder staat in het verweerschrift van het college van 2 november 2023 dat aan [wederpartij] op 14 juni 2023 een voornemen tot een last onder dwangsom is verzonden wegens het recreatief verhuren van het pand aan de [locatie 3] en dat op 15 augustus 2023 een last onder dwangsom is verzonden wegens het recreatief verhuren van het pand aan de [locatie 3]. De rechtbank heeft, gelet op deze omstandigheden in onderlinge samenhang bezien, terecht overwogen dat [wederpartij] ten tijde van het nemen van de beslissingen feitelijk bedrijfsactiviteiten uitvoerde.
Wat betreft het marktsegment zijn de verschillen tussen het verhuren van een zogenoemde “Domburgse zomerwoning”, en een reguliere woning of een appartement voor recreatieve doeleinden niet zo significant dat sprake is van verhuur aan verschillende doelgroepen. De rechtbank is er daarom terecht vanuit gegaan dat de verhuurders van de panden waarop [wederpartij]s handhavingsverzoeken zien en dat die panden een alternatief kunnen zijn voor haar panden.
Met betrekking tot het verzorgingsgebied stelt de Afdeling vast dat de panden van [wederpartij] op een maximale afstand liggen van ongeveer 15 kilometer tot de in de handhavingsverzoeken genoemde panden. De Afdeling heeft eerder in hiervoor vermelde uitspraak van 13 juli 2022 overwogen dat rechthebbenden die hun pand verhuren voor recreatief verblijf op een afstand van ongeveer 15 kilometer tot de panden van [wederpartij], binnen hetzelfde verzorgingsgebied gebied vallen. De rechtbank heeft daarom terecht geconcludeerd dat [wederpartij] in hetzelfde verzorgingsgebied werkzaam is als de rechthebbenden van de panden waarop de handhavingsverzoeken betrekking hebben.
Wat betref het standpunt van het college dat uitgesloten is dat de verhuur van de 28 panden voor recreatief verblijf feitelijke gevolgen zal hebben voor de verhuur van de panden van [wederpartij], overweegt de Afdeling als volgt. Niet in geschil is dat er in hetzelfde verzorgingsgebied duizenden (delen van) panden worden aangeboden voor recreatief verblijf op verhuurbasis. Het college heeft het daarom terecht uitgesloten geacht dat [wederpartij] enige feitelijk gevolgen, zoals omzetverlies, zal ondervinden door de beweerdelijke illegale verhuur van die 28 panden voor recreatief verblijf. De Afdeling sluit hierbij aan bij haar uitspraken van 10 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1498, onder 12.2 en 19 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:632, onder 3.2.
Omdat uitgesloten is dat [wederpartij] feitelijke gevolgen ondervindt van de verhuur voor recreatieve doeleinden van de panden die zij heeft genoemd in haar verzoeken om handhaving, is zij bij die verzoeken geen belanghebbende als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb. Haar verzoeken zijn daarom geen aanvraag als bedoeld in artikel 1:3, derde lid, van de Awb. Dit betekent dat de reactie van het college op die verzoeken geen afwijzing van een aanvraag is en daarom geen besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb is. Anders dan waarvan de rechtbank is uitgegaan, stond voor [wederpartij] daarom geen beroep open bij de bestuursrechter tegen de beslissingen van 18 april 2023 en 25 april 2023.
Het betoog slaagt.
Bron: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:RVS:2026:1238
Leave a Reply