ABRvS 6 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3702 – Het na de overtreding proberen terug te draaien van de overtreding, is geen reden om verminderde verwijtbaarheid aan te nemen.

Print deze pagina

Instantie Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Datum uitspraak: 6 augustus 2025

Datum publicatie: 6 augustus 2025

ECLI: ECLI:NL:RVS:2025:3702

Fragment:

Beoordeling van het hoger beroep

7.       Het college betoogt dat de rechtbank ten onrechte de boete met 25% heeft gematigd vanwege bijzondere omstandigheden, als bedoeld in artikel 5:46, derde lid, van de Awb. Er is geen sprake van verminderde verwijtbaarheid. Hoewel [wederpartij] bekend was met de regelgeving over huisvestingsvergunningen in de gemeente Den Haag, heeft hij de sleutels aan de huurders afgegeven voordat de huisvestingsvergunning was aangevraagd. Daarmee heeft hij het risico genomen dat de huisvestingsvergunning niet zou worden aangevraagd en verleend. Dat hij na de ingebruikname van de woning verschillende pogingen heeft ondernomen om de huurders te bewegen alsnog een huisvestingsvergunning aan te vragen, maakt de verwijtbaarheid niet minder. Reeds door het in gebruik geven van de woning is sprake van een overtreding.

7.1.    De hoogte van de bestuurlijke boete is bij wettelijk voorschrift vastgesteld. De hoogte van de boete dient daarom te worden getoetst aan artikel 5:46, derde lid, van de Awb. Hierin is bepaald dat het bestuursorgaan, indien de hoogte van de bestuurlijke boete bij wettelijk voorschrift is vastgesteld, niettemin een lagere bestuurlijke boete oplegt, indien de vastgestelde bestuurlijke boete wegens bijzondere omstandigheden te hoog is. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in bijvoorbeeld de uitspraak van 2 december 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2849, kunnen een verminderde verwijtbaarheid, een beperkte ernst van een overtreding en een geringe financiële draagkracht worden aangemerkt als bijzondere omstandigheden, als bedoeld in artikel 5:46, derde lid, van de Awb, die aanleiding geven om een boete te matigen. Voor zover de overtreder stelt dat één of meer van deze omstandigheden in dit geval aan de orde zijn, moet hij dat aannemelijk maken (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 23 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4281, onder 9).

7.2.    [wederpartij] was ervan op de hoogte dat het in gebruik geven van de woning zonder de benodigde huisvestingsvergunning niet is toegestaan. Dat hij later inspanningen heeft verricht om de overtreding ongedaan te maken, kan niet met zich brengen dat er bij het begaan van de overtreding sprake was van verminderde verwijtbaarheid. De Afdeling volgt dan ook het college in het betoog dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat sprake is van bijzondere omstandigheden in de vorm van verminderde verwijtbaarheid. Dit leidt echter niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De Afdeling legt dit hierna uit.

7.3.    De Afdeling heeft in haar uitspraak van 5 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2314, onder 6.3, overwogen dat het college bij het bepalen van de hoogte van de boete vanwege schending van artikel 8, tweede lid, van de Huisvestingswet (hierna: Hw), zoals hier aan de orde, niet alleen een aanmerkelijk belang hecht aan de omstandigheid dat de benodigde huisvestingsvergunning is aangevraagd, maar ook aan de omstandigheid dat de bewoner aan de voorwaarden voor de toekenning van de vergunning voldoet. Dit komt echter niet tot uitdrukking in Bijlage II van de Hv, waarin de hoogtes van de boetes vanwege overtreding van artikel 8, tweede lid, van de Hw zijn bepaald.

7.4.    [wederpartij] heeft aannemelijk gemaakt dat de huurders zouden voldoen aan de voorwaarden voor het verkrijgen van een huisvestingsvergunning als zij die hadden aangevraagd. De Afdeling kent hierbij betekenis toe aan een berekening van de inkomsten van de huurders die [wederpartij] heeft overgelegd, onderbouwd met loon/salarisspecificaties en arbeidscontracten van de huurders. Gelet op wat is overwogen onder 7.3, had het college daarin aanleiding moeten zien om vanwege de beperkte ernst van de overtreding een lagere boete op te leggen. De Afdeling komt hiermee met de rechtbank, zij het op andere gronden, tot het oordeel dat het college de boete had moeten matigen vanwege bijzondere omstandigheden. De Afdeling acht in dit geval, evenals de rechtbank, een matiging van de boete van 25% passend en geboden.

Bron: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:RVS:2025:3702

Print deze pagina

Leave a Reply

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *