ABRvS 8 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1941 – Beginselplicht tot invordering geldt ook voor “opeisen van onverschuldigde betaling”.
Instantie: Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Datum uitspraak: 8 april 2026
Datum publicatie: 8 april 2026
ECLI: ECLI:NL:RVS:2026:1941
Beoordeling van het hoger beroep
11. [appellante] heeft geen bezwaar gemaakt tegen het besluit van 26 januari 2022, waarbij een last onder dwangsom is opgelegd. Omdat tegen dit besluit geen rechtsmiddel is aangewend, staat dit besluit in rechte vast. De rechtmatigheid van de last is daarmee gegeven. Een belanghebbende kan in de procedure tegen de invorderingsbeschikking niet met succes gronden naar voren brengen die hij tegen de last onder dwangsom naar voren had kunnen brengen. Dit kan slechts in uitzonderlijke gevallen. Een uitzonderlijk geval kan bijvoorbeeld worden aangenomen, indien evident is dat er geen overtreding is gepleegd en/of de betrokkene geen overtreder is (zie de uitspraak van de Afdeling van 27 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:466, onder 2.2). De Afdeling is van oordeel dat, zoals de rechtbank heeft overwogen, ditzelfde geldt voor het opeisen van de onverschuldigde betaling. Daarbij betrekt de Afdeling dat de bevoegdheid pas ontstaat indien de last onder dwangsom al is opgelegd, en uit de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 5.5 van de WNT volgt dat de bevoegdheid voor de effectiviteit van de handhaving noodzakelijk werd geacht (Kamerstukken II, 2010/11, 32 600, nr. 3, blz. 53).
Bij de toetsing van een invorderingsbesluit gaat het vervolgens alleen om de invordering van de verbeurde dwangsom en dient eerst de vraag beantwoord te worden of de last is overtreden. Als kan worden vastgesteld dat de last is overtreden en de opgelegde dwangsom is verbeurd, geldt volgens vaste rechtspraak (zie de hiervoor genoemde uitspraak van 27 februari 2019, onder 2.1) dat bij een besluit over invordering van een verbeurde dwangsom aan het belang van de invordering een groot gewicht moet worden toegekend. Slechts in bijzondere omstandigheden kan geheel of gedeeltelijk van de invordering worden afgezien. De Afdeling is van oordeel dat, zoals de rechtbank heeft overwogen, ditzelfde geldt voor het opeisen van de onverschuldigde betaling.
Bron: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:RVS:2026:1941
Leave a Reply