CBb 14 april 2026, ECLI:NL:CBB:2026:155 – Feitelijk leidinggeverschap niet bewezen. Minister nam aan dat bestuurder enig leidinggever was. Er blijkt een bedrijfsleider te zijn. Op minister rust echter onderzoeksplicht en hij had daarom nader onderzoek moeten wodoen en moeten nagaan hoe taakverdeling was. Boete wordt vernietigd.

Print deze pagina

Instantie: College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak: 14 april 2026

Datum publicatie: 14 april 2026

ECLI: ECLI:NL:CBB:2026:155

4 De minister stelt zich op het standpunt dat [naam] wel degelijk kan worden beschouwd als feitelijk leidinggever aan de overtreding. Van een leidinggevende rol van de bedrijfsleider en/of financieel manager blijkt niet uit de verklaring van [naam] van 28 juni 2018 en de mailcontacten tussen de inspecteurs en de medewerkers van [naam] . De overgelegde mailberichten zijn niet allemaal relevant en betreffen verder geen verifieerbare stukken. Uit de berichten blijkt niet van feitelijk leidinggeven door anderen. Ook ondersteunen de berichten niet de stellingen van [naam] dat hij zou hebben vertrouwd op zijn bedrijfsleider en onvoldoende reden had om zich met de zaken te bemoeien of in te grijpen. De ingebrachte mailberichten bevestigen eerder het beeld dat de bedrijfsleider meer een facilitair manager was. Daar komt nog bij dat [naam] pas in bezwaar heeft gesteld dat hij volledig vertrouwde op zijn bedrijfsleider. Uit het rapport van bevindingen blijkt dat [naam] goed op de hoogte is van gang van zaken op zijn bedrijven. Overigens zijn er volgens de minister in het verleden wel rapporten van bevindingen opgemaakt, maar hebben die vanwege de verjaringstermijn niet geleid tot een boete.

5.1
In geschil is of [naam] kan worden aangemerkt als overtreder in de periode dat het bedrijf op naam stond van de B.V.’s. [naam] bestrijdt niet dat hij de overtreding heeft begaan in de periode dat het bedrijf werd gevoerd als eenmanszaak.

5.2
Volgens de jurisprudentie (zie bijvoorbeeld het arrest van de Hoge Raad van 26 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:733, en de uitspraak van het College van 6 april 2021, ECLI:NL:CBB:2021:366) kan van feitelijke leidinggeven aan verboden gedragingen onder omstandigheden sprake zijn indien de desbetreffende functionaris – hoewel daartoe bevoegd en redelijkerwijs gehouden – maatregelen ter voorkoming van deze gedragingen achterwege laat en bewust de aanmerkelijke kans aanvaardt dat de verboden gedragingen zich zullen voordoen. Voor het aannemen van feitelijk leidinggeven aan de gedraging is op zichzelf niet voldoende dat iemand bestuurder is van een rechtspersoon die een overtreding heeft begaan.

5.3
Op de minister rust de bewijslast van het feitelijk leidinggeven aan de overtreding. De minister heeft in het bestreden besluit geconcludeerd dat [naam] als enig (indirect) bestuurder bij uitstek bevoegd en ook redelijkerwijs gehouden was om overtreding van de Msw te voorkomen. De minister heeft aan deze conclusie geen bevindingen uit het onderzoek ten grondslag gelegd. Volgens de minister was onderzoek niet nodig, omdat [naam] niet tijdens de onderzoeksfase naar voren heeft gebracht dat sprake was van een bedrijfsleider die verantwoordelijk was voor de mestboekhouding. Uit het feit dat [naam] dit destijds niet naar voren heeft gebracht kan echter niet worden afgeleid dat hij hiervoor verantwoordelijk was. Dat [naam] enig (indirect) bestuurder is van de betrokken B.V.’s is op zichzelf niet voldoende om dit aan te nemen. De minister had daarom nader onderzoek moeten doen en moeten nagaan hoe de taakverdeling was op het bedrijf, wat er precies was geregeld over het bijhouden van de mestboekhouding en het voldoen aan de verantwoordingsplicht, en wat [naam] in dit verband is aan te rekenen. Dat heeft de minister niet gedaan. Dit betekent dat de minister niet heeft aangetoond dat [naam] feitelijk leiding heeft gegeven aan de overtreding in de periode dat de stallen op naam van de B.V.’s stonden.

5.4
Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep slaagt. Het College stelt vast dat de Msw er niet in voorziet wat de hoogte van boete moet zijn in een situatie als deze waarin voor een deel van het jaar niet is aangetoond dat de beboete persoon de overtreding heeft begaan. Omdat de periode waarvoor dit niet is aangetoond in dit geval een aanzienlijk deel (iets meer dan negen maanden) van het jaar 2017 besloeg moet dit naar het oordeel van het College gevolgen hebben voor de opgelegde boete. Omdat voor ongeveer een kwart van het jaar wel vaststaat dat [naam] de overtreding heeft begaan, acht het College in dit geval een boete van € 5.678,-, zijnde een kwart van de opgelegde boete, passend en geboden.

Bron: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:CBB:2026:155

Print deze pagina

Leave a Reply

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *