CBb 16 september 2025, ECLI:NL:CBB:2025:465 – Overleg bij de zitting over matiging van de boetes – geen geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel omdat matiging afhankelijk was van onderbouwing en er geen garantie op matiging bestond.
Instantie College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak: 16 september 2025
Datum publicatie: 16 september 2025
ECLI: ECLI:NL:CBB:2025:465
Fragment:
Standpunt van de maatschap
3 In hoger beroep stelt de maatschap zich op het standpunt dat de minister op de zitting bij de rechtbank de indruk heeft gewekt dat er, gelet op de bijzondere omstandigheden, ruimte was om de boetes te matigen. Daarom mocht zij erop vertrouwen dat de minister de boetes zou matigen. De minister heeft tijdens de zitting begrip getoond voor de gezondheidssituatie van een van de maten en de huilbaby. Op de vraag van de rechtbank op de zitting of de minister een toezegging kon doen voor een matiging tot 80% van de boetes, heeft de minister geantwoord dat hij dat voorzichtig wel zou kunnen doen en dat mogelijk elk jaar 5% van de boetes af zou gaan. Verder heeft de minister het gegeven dat de maatschap per 1 januari 2020 is uitgebreid met vier maten niet als reden mogen opvoeren om de boetes niet te matigen, omdat de minister er tijdens de zitting bij de rechtbank al bekend mee was dat de maatschap in 2020 uit zes maten bestond. Dat bleek immers duidelijk uit de stukken. De vier nieuwe maten hebben andere banen en werken niet in de maatschap. De maatschap vindt het dan ook zeer teleurstellend dat de minister de boetes toch niet heeft gematigd.
Standpunt van de minister
4 Volgens de minister heeft hij op de zitting bij de rechtbank niet de indruk gewekt dat hij de boetes zou matigen vanwege de door de maatschap op de zitting aangevoerde omstandigheden. Hij had op de zitting niet scherp voor ogen uit hoeveel maten de maatschap bestond. Naar aanleiding van de op de zitting door de maatschap aangevoerde omstandigheden heeft de minister aangegeven bereid te zijn om met de maatschap te overleggen en te kijken of deze aanleiding zouden kunnen vormen om de boetes te matigen. Daarom heeft de minister de maatschap in de gelegenheid gesteld de omstandigheden toe te lichten. Hij heeft niet gezegd dat de boetes tot 80% zouden worden gematigd, maar wel dat als het overleg zou leiden tot een matiging, deze matiging hooguit tot 80% van de boetebedragen zou gaan en dat een verdere matiging van de boetes met 5% zou kunnen volgen uit een eventuele overschrijding van de redelijke termijn.
Beoordeling door het College
5 Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel is vereist dat de betrokkene aannemelijk maakt dat van de zijde van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit de betrokkene in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of en zo ja, hoe het bestuursorgaan in een concreet geval een bevoegdheid zou uitoefenen.
6 Het College stelt vast dat tijdens de zitting bij de rechtbank is gesproken over het matigen van de boetes tot 80%. Maar het College volgt de maatschap niet in haar betoog dat zij erop mocht vertrouwen dat de boetes na het overleg met de minister daadwerkelijk zouden worden gematigd vanwege de op de zitting aangevoerde omstandigheden. De minister heeft op die zitting namelijk alleen een procedureafspraak met de maatschap gemaakt om (intern) te overleggen over een eventuele regeling. De minister heeft daarbij gezegd dat als de omstandigheden verder worden toegelicht er geen garantie voor verlaging (van de boetes) is. Over een verdere matiging van de boetes heeft de minister opgemerkt dat daarvan alleen sprake kan zijn in geval van overschrijding van de redelijke termijn. Uit het voorgaande volgt dat het beroep op het vertrouwensbeginsel niet slaagt. Overigens stelt het College tot slot nog vast dat de redelijke termijn niet is overschreden.
Bron: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:CBB:2025:465
Leave a Reply