CBb 17 juni 2025, ECLI:NL:CBB:2025:336 – Combinatie schorsing van erkenning en latere boete levert geen strijd met ne bis in idem op. Cautie niet gegeven aan directielid, maar verklaring niet gebruikt als bewijs = geen probleem.

Print deze pagina

Instantie College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak: 17 juni 2025

Datum publicatie: 17 juni 2025

ECLI: ECLI:NL:CBB:2025:336

Fragment:

6.1
Met betrekking tot het standpunt van de onderneming dat de boete in strijd is met het beginsel van ne bis in idem en de minister daarom niet bevoegd was de boete op te leggen, stelt het College vast dat de schorsing van de erkenning onderwerp is geweest van een procedure die heeft geleid tot de uitspraak van 29 oktober 2024 (ECLI:NL:CBB:2024:745). Zoals blijkt uit overweging 1.7 uit die uitspraak, lagen aan de twee corrigerende maatregelen (verlaging van de bandsnelheid en schorsing van de erkenning) andere overtredingen ten grondslag, namelijk overtredingen die zijn geconstateerd op 4, 8, 12 en 14 januari 2021. De overtreding die in deze zaak aan de orde is (geconstateerd op 15 september 2020), heeft dus niet ten grondslag gelegen aan de schorsing van de erkenning. Van strijd met het beginsel van ne bis in idem is alleen al daarom geen sprake.

6.2
Bovendien zijn verlaging van de bandsnelheid en schorsing van de erkenning (waarmee feitelijk het bedrijf wordt stilgelegd) herstelsancties, terwijl het bij een bestuurlijke boete gaat om een bestraffende sanctie. Zoals ook blijkt uit de door de minister onder 4.1 aangehaalde uitspraak van het College van 30 november 2021 is het opleggen van een bestuurlijke boete naast een herstelsanctie niet in strijd met artikel 5:43 van de Awb en het beginsel van ne bis in idem. Van een dubbele bestraffing is daarom geen sprake.

6.3
De onderneming betoogt verder dat de rechtbank ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de omstandigheid dat aan haar geen cautie is gegeven. Met de rechtbank concludeert het College dat de toezichthouder aan een directielid van de onderneming niet de cautie hoefde te geven, omdat uit het rapport van bevindingen niet blijkt dat de toezichthouder hem heeft verhoord als bedoeld in artikel 5:10a van de Awb, noch dat hij verklaringen over de feiten en omstandigheden met betrekking tot de gestelde overtreding heeft afgelegd. Het bewijs van de overtreding steunt niet op het gesprek met dit directielid. De onderneming heeft in hoger beroep niet onderbouwd waarom het oordeel van de rechtbank niet juist zou zijn, anders dan haar herhaalde stelling dat de cautie niet gegeven is. Het College onderschrijft het in rechtsoverweging 3.6 van de aangevallen uitspraak gegeven oordeel van de rechtbank hierover en maakt de overwegingen van de rechtbank tot de zijne. Het College voegt daaraan toe dat de toezichthouder om dezelfde redenen als hiervoor genoemd, het directielid van de onderneming niet hoefde te wijzen op het recht zich te laten bijstaan door een raadsman.

6.4
Voor het overige heeft de onderneming de overwegingen van de rechtbank met betrekking tot de bevoegdheid van de minister om de boetes op te leggen in hoger beroep niet (gemotiveerd) bestreden. Het College onderschrijft het in rechtsoverweging 3.8 van de aangevallen uitspraak gegeven oordeel van de rechtbank hierover.

Bron: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:CBB:2025:336

Print deze pagina

Leave a Reply

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *