CBb 21 april 2026, ECLI:NL:CBB:2026:166 – Strafrechtelijk sepot wegens ouderdom feit staat niet in de weg aan bestuursrechtelijke handhaving dmv last onder dwangsom.
Instantie: College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak: 21 april 2026
Datum publicatie: 21 april 2026
ECLI: ECLI:NL:CBB:2026:166
Beoordeling door het College
De beroepen tegen de bestreden besluiten
4.1
Het College is, in lijn met zijn uitspraak van 10 maart 2020 (ECLI:NL:CBB:2020:140) van oordeel dat, wanneer een taxichauffeur met een als taxi herkenbare auto stilstaat op een als illegale opstapplaats voor taxi’s bekend staande plaats in Amsterdam, zonder dat hij op dat moment bezig is met het ophalen (laden) of afzetten (lossen) van klanten die bij hem een taxirit hebben besteld, dat de conclusie rechtvaardigt dat hij daar taxivervoer aanbiedt op de opstapmarkt. Deze aanname kan door de taxichauffeur slechts worden weerlegd door aannemelijk te maken dat hij daar staat ter uitvoering van een bij hem bestelde taxirit dan wel dat hij daar staat als gevolg van overmacht, zoals bijvoorbeeld autopech. Indien de taxichauffeur stelt dat hij daar om andere redenen staat dan voor laden en lossen, bijvoorbeeld om op zijn telefoon te kijken of om op een oproep voor een taxirit te wachten, helpt dat hem niet, omdat dan ervan mag worden uitgegaan dat hij taxivervoer aanbiedt op de opstapmarkt, zoals dat er overigens voor omstanders en handhavers van de gemeente Amsterdam ook uitziet. De taxichauffeur die op een als illegale opstapplaats voor taxi’s bekend staande laad- en losplaats staat, zonder bezig te zijn met een bestelde taxirit, riskeert dan ook niet alleen een boete voor verkeerd parkeren of stilstaan op een plaats waar dat niet mag, maar ook dat hem een last onder dwangsom wordt opgelegd of dat hij als gevolg van een opgelegde last een dwangsom verbeurt. Het College gaat er daarbij met het college van b en w van uit dat algemeen bekend is of mag worden verondersteld, zeker bij taxichauffeurs in Amsterdam, welke plaatsen bekend staan als illegale opstapplaatsen voor taxi’s. Dat zijn in ieder geval de weggedeeltes waar niet geparkeerd mag worden, zoals laad- en losplaatsen, in het hele centrum van Amsterdam en vierentwintig uur per dag, bijvoorbeeld in de buurt van het Centraal Station of hotels.
4.2
Verder is het vaste rechtspraak van het College (zie bijvoorbeeld de uitspraak van
19 december 2023 (ECLI:NL:CBB:2023:736 onder 4.2)) dat een bestuursorgaan, onverminderd de eigen verantwoordelijkheid ten aanzien van het bewijs, in beginsel mag afgaan op de juistheid van de bevindingen in een op ambtseed of ambtsbelofte opgemaakt en ondertekend proces-verbaal, voor zover deze eigen waarnemingen van de opsteller van het rapport weergeven. Indien die bevindingen worden betwist, zal moeten worden onderzocht of er, gelet op de aard en inhoud van die betwisting, grond bestaat voor zodanige twijfel aan die bevindingen dat deze niet of niet volledig aan de vaststelling van de overtreding ten grondslag kunnen worden gelegd.
4.3
In wat de chauffeur aanvoert, ziet het College geen aanknopingspunt voor de conclusie dat de bevindingen van de toezichthouders in de onderscheidenlijke rapporten van bevindingen onjuist zijn en dat het college van b en w in zijn besluitvorming daarvan niet mocht uitgaan. Dat in het rapport van bevindingen van 14 februari 2023 onder het kopje ‘Gegevens betrokkene’ een ander kenteken staat vermeld dan het kenteken van het voertuig zoals vermeld onder het kopje ‘Bevindingen’ in dat rapport is daartoe onvoldoende. Het is immers volstrekt duidelijk om welk voertuig het hier gaat. Dat op de achterkant van het aan de chauffeur op 11 februari 2023 uitgereikte rapport van bevindingen staat vermeld dat het vermelde tijdstip 01.06 uur abusievelijk is ingevuld en dat het tijdstip 0.56 uur moet zijn, is daartoe eveneens onvoldoende. Zoals ook in het advies is uiteengezet, zijn de gebeurtenissen in het rapport van bevindingen, waaronder de staandehouding, duidelijk opgetekend en betreft de vermelding op de achterzijde niet meer dan een correctie.
4.4.1
Afgemeten aan het hiervoor onder 4.1 weergegeven beoordelingskader, is het College met het college van b en w van oordeel dat de chauffeur op 11 februari 2023 en
3 november 2023 zonder vergunning taxivervoer heeft aangebodenop de opstapmarkt. De chauffeur heeft zijn als taxi herkenbare auto op die data geparkeerd op locaties die bekend staan als illegale opstapplaatsen voor taxi’s. In wat de chauffeur aanvoert, is niet aannemelijk geworden dat hij daar stond ter uitvoering van een bij hem bestelde taxirit.
4.4.2
Wat betreft 11 februari 2023 stelt het College vast dat de chauffeur een bericht van Bolt heeft overgelegd waarin staat dat de chauffeur op 11 februari 2023 om 00.55 uur een aanvraag heeft ontvangen voor een rit, die 4 minuten later om 00.59 uur is geannuleerd. Zoals het college van b en w op de zitting terecht heeft opgemerkt, kan dit de chauffeur niet baten, al omdat uit het rapport van bevindingen volgt dat de toezichthouders de chauffeur met zijn voertuig al omstreeks 00.52 uur bij het Centraal Station hadden gezien en dus vóór de bestelling van de rit om 00.55 uur. Dat, zoals de gemachtigde van de chauffeur op de zitting heeft verklaard, de chauffeur mogelijk al ergens stond waar het wel mocht, slaagt niet, al omdat het college van b en w onweersproken heeft opgemerkt dat er in de buurt van het Stationsplein geen mogelijkheden zijn om te parkeren. Dat wat de chauffeur over de annulering van de rit en de ontstane verwarring over de klanten heeft aangevoerd, doet aan het voorgaande verder niet aan af.
4.4.3
Wat betreft 3 november 2023 heeft de chauffeur weliswaar gesteld dat hij net een klant had afgezet, maar die stelling heeft hij niet aannemelijk gemaakt. Het rapport van bevindingen vermeldt dat de chauffeur desgevraagd aangaf dat hij zich niet op de locatie ophield ter uitvoering van een vooraf bestelde rit en het later aan hem uitgereikte rapport van bevindingen van 3 november 2023 vermeldt dat de chauffeur geen verklaring wilde afleggen. De chauffeur is aldus voldoende gelegenheid geboden aan te tonen dat hij net een klant had afgezet. Overigens heeft het college van b en w op de zitting verduidelijkt dat het niet de praktijk is dat klanten worden teruggebeld om te vragen naar een verklaring. Aan de door de chauffeur bij zienswijze overgelegde e-mailbericht van 16 november [naar het College begrijpt: 2023], waarin een persoon verklaart de chauffeur op 3 november [naar het College begrijpt: 2023] omstreeks 02.30 uur te hebben gebeld om hem naar de Supperclub te brengen en dat de chauffeur hem daar omstreeks 03.00 uur heeft afgezet, komt niet de waarde toe die de chauffeur daaraan gehecht wenst te zien. Die verklaring is pas later opgesteld, terwijl deze verklaring niet met concrete, verifieerbare gegevens, bijvoorbeeld met gegevens over de bestelde rit, is onderbouwd.
4.5.1
Aan het voorgaande doet niet af dat de officier van justitie de aan de chauffeur opgelegde strafbeschikkingen heeft ingetrokken.
4.5.2
Zoals het College eerder heeft overwogen (uitspraak van 28 februari 2023 (ECLI:NL:CBB:2023:86)) brengt de in artikel 6, tweede lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) neergelegde onschuldpresumptie volgens de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) mee dat het publieke organen en autoriteiten niet is toegestaan om na een strafrechtelijke vrijspraak in een bestuursrechtelijke procedure alsnog twijfels te uiten over de onschuld van een betrokkene ten aanzien van het feit waarvoor hij is vrijgesproken. Uit het arrest van de Hoge Raad van 2 juni 2017 (ECLI:NL:HR:2017:958, onder 2.4.3), volgt dat de reikwijdte van artikel 6, tweede lid, van het EVRM zich in voorkomend geval kan uitstrekken tot een bestuursrechtelijke procedure indien de geschilpunten in de bestuursrechtelijke procedure voortvloeien uit of samenhangen met de strafrechtelijke procedure, ook indien een strafrechtelijke procedure, zoals in het geval van de chauffeur, niet is voortgezet in verband met een sepot.
4.5.3
In het algemeen geldt in het strafrecht dat wat ten laste wordt gelegd wettig en overtuigend moet worden bewezen, terwijl in het bestuursrecht minder strenge bewijsregels gelden (zie de uitspraken van het College van 10 maart 2020 (ECLI:NL:CBB:2020:158) en van de Centrale Raad van Beroep van 2 januari 2020 (ECLI:NL:CRVB:2020:4)). Uit het sepot van 9 september 2024 is niet op te maken wat de redenen voor de officier van justitie zijn geweest om over te gaan tot sepot wegens gebrek aan bewijs. In zoverre roept het bestuursrechtelijke oordeel dat de chauffeur op 11 februari 2023 taxivervoer heeft aangeboden geen twijfels op over de juistheid van de gronden van het sepot. Voor de conclusie dat een chauffeur taxivervoer aanbiedt op de opstapmarkt in Amsterdam is in het bestuursrecht, zoals hiervoor onder 4.1 weergegeven, voldoende dat hij met een als taxi herkenbare auto stilstaat op een als illegale opstapplaats voor taxi’s bekend staande plaats in Amsterdam, zonder dat hij op dat moment bezig is met het ophalen of afzetten van klanten die bij hem een taxirit hebben besteld, waaraan enige mate van twijfel, anders dan in het strafrecht, niet in de weg hoeft te staan (zie de uitspraak van het College van 10 maart 2020, hiervoor aangehaald). Uit het sepot van 7 mei 2025 volgt dat de officier van justitie is overgegaan tot sepot, omdat het feit waarvan de chauffeur wordt verdacht nu te oud is. Dat betekent echter niet dat de officier van justitie het feit niet bewezen en strafbaar acht. In zoverre roept het bestuursrechtelijke oordeel dat de chauffeur op 3 november 2023 taxivervoer heeft aangeboden geen twijfels op over de juistheid van de gronden van het sepot.
Bron: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:CBB:2026:166
Leave a Reply