CBb 21 juli 2026, ECLI:NL:CBB:2026:332 – Bestuursdwang onherroepelijk, kostenverhaal terecht. Door eiser geleden (im)materiële schade moet hij maar bij de civiele rechter gaan halen.
Instantie: College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak: 21 juli 2026
Datum publicatie: 21 juli 2026
ECLI: ECLI:NL:CBB:2026:332
Kostenbesluit
7.1
Volgens [naam 1] zijn de in het kostenbesluit genoemde transportkosten voor het paard niet in lijn met de indicatieve kosten.
7.2
Het College stelt vast dat de staatssecretaris de kosten die betrekking hebben op de inbewaringname van het paard niet op [naam 1] heeft verhaald. Het College begrijpt het standpunt van [naam 1] zo, dat zij de kosten die wel op haar zijn verhaald niet in lijn vindt met de indicatieve kostentabel die als bijlage bij de brief van 31 januari 2023 is gevoegd.
7.3
In artikel 5:25, eerste lid, van de Awb is bepaald dat de toepassing van bestuursdwang op kosten van de overtreder geschiedt, tenzij deze kosten redelijkerwijze niet of niet geheel ten laste van de overtreder behoren te komen.
7.4
Het College stelt vast dat bij de brief van 31 januari 2023 een bijlage was gevoegd met daarin opgenomen de indicatieve kosten voor de opvang van verschillende soorten dieren, waaronder paarden en pony’s. In deze tabel zijn geen richtbedragen voor transport- en medische kosten opgenomen. Wel staat in deze bijlage dat de werkelijke kosten in rekening zullen worden gebracht. De kosten die door de staatssecretaris in het kostenbesluit in rekening zijn gebracht, zijn de daadwerkelijk gemaakte kosten. De staatssecretaris heeft deze kosten onderbouwd met facturen. Ook acht het College de hoogte van deze bedragen niet onredelijk. De beroepsgrond slaagt niet.
Schadevergoeding
8.1
[naam 1] verzoekt om vergoeding van de materiële en immateriële schade die zij heeft geleden door de inbeslagname van het paard en de shetlandpony’s. [naam 1] begroot de schade op minimaal € 16.716,60.
8.2
Op grond van artikel 8:91, eerste lid, van de Awb wordt het schadevergoedingsverzoek, indien dit wordt gedaan gedurende het beroep tegen het schadeveroorzakende besluit, ingediend bij de bestuursrechter waarbij het beroep aanhangig is. In deze beroepsprocedure staat het beroep tegen het kostenbesluit centraal. Het kostenbesluit is echter niet het schadeveroorzakende besluit zoals bedoeld in artikel 8:91, eerste lid van de Awb, zodat behandeling van het schadeverzoek niet op deze grond plaats kan vinden.
8.3
Op grond van artikel 8:90, eerste lid, van de Awb, kan een appellant ook een zelfstandig verzoek om schadevergoeding doen bij de bestuursrechter die bevoegd is kennis te nemen van het beroep tegen het besluit. Op grond van artikel 8:88, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb is de bestuursrechter bevoegd op verzoek van een belanghebbende een bestuursorgaan te veroordelen tot vergoeding van schade die de belanghebbende lijdt of zal lijden als gevolg van een onrechtmatig besluit. De door [naam 1] genoemde schadeposten hebben allemaal betrekking op het in bewaring nemen en wegvoeren van het paard en de shetlandpony’s en daarmee op de feitelijke uitvoering van de bestuursdwang. Het gaat dus om mogelijke schade die is ontstaan door het feitelijk handelen en niet om mogelijke schade die is veroorzaakt door een onrechtmatig besluit als bedoeld in artikel 8:88, eerste lid aanhef en onder a, van de Awb. Dat betekent dat niet het College, maar de burgerlijke rechter bevoegd is om hierover te oordelen. Het College zal zich daarom onbevoegd verklaren om van het verzoek om schadevergoeding kennis te nemen.
Bron: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:CBB:2026:332
Leave a Reply