CBb 24 juni 2025, ECLI:NL:CBB:2025:342 – Is het BFT op een fishing expedition gegaan? Nee: BFT was al op de hoogte van het bestaan van de stukken. Beboete partij heeft een ruim recht op stukken, maar moet wel motiveren waarom die stukken nodig/relevant zijn.

Print deze pagina

Instantie College van Beroep voor het bedrijfsleven

Datum uitspraak: 24 juni 2025

Datum publicatie: 24 juni 2025

ECLI: ECLI:NL:CBB:2025:342

Fragment:

Heeft BFT alle op de zaak betrekking hebbende stukken ingediend?

4.1
De rechtbank heeft, voor zover hier van belang, het volgende overwogen.

“7.1. Eiseres betoogt dat BFT niet alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage heeft verstrekt en dat BFT daarmee in strijd met artikel 6 van het Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM) heeft gehandeld.
Zij verzoekt de rechtbank om BFT op te dragen om de ontbrekende stukken alsnog in te dienen. Hierbij heeft eiseres expliciet de volgende (mogelijk bestaande) stukken genoemd:
– correspondentie tussen BFT en het BTWwft over het onderzoek van het BTWwft naar [naam 3] ;
– stukken rond het interne beraad bij BFT over het onderzoek, het rapport, de overtredingen en het opleggen van de boete;
[…]

7.2.
De rechtbank overweegt dat op basis van artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het bestuursorgaan de op de zaak betrekking hebbende stukken naar de bestuursrechter zendt. Uit de door eiseres aangehaalde uitspraken blijkt dat met die stukken wordt bedoeld de op papier of in elektronische vorm vastgelegde gegevens die het bestuursorgaan voor raadpleging ter beschikking staan of hebben gestaan. Tot de op de zaak betrekking hebbende stukken behoren niet slechts de stukken die het bestuursorgaan als onderbouwing voor het besluit heeft gebruikt. Daartoe behoren in beginsel ook stukken waarover het bestuursorgaan wel beschikte maar waarmee het besluit niet is onderbouwd. Hieronder kunnen ook stukken vallen die voor intern beraad zijn opgesteld of stukken die tussen het bestuursorgaan (als opdrachtgever) en externe deskundigen (als opdrachtnemer) over de totstandkoming van een rapport zijn gewisseld. Geen op de zaak betrekking hebbende stukken zijn stukken die het bestuursorgaan wel heeft gebruikt of ter beschikking van het bestuursorgaan hebben gestaan, maar die voor de beoordeling door de rechter van (nog) bestaande geschilpunten niet (langer) van belang zijn.

7.3.
Uit de door eiseres aangehaalde uitspraken blijkt dat als het om een bestuurlijke boete gaat, de belanghebbende in staat moet worden gesteld om alles aan te voeren wat zij in het belang van haar verdediging noodzakelijk vindt. Dit betekent dat als een belanghebbende gemotiveerd uiteenzet dat en waarom zij het van belang vindt dat bepaalde stukken die zich onder het bereik van het bestuursorgaan bevinden aan haar beschikbaar worden gemaakt, die stukken als op de zaak betrekking hebbende stukken worden aangemerkt. Deze stukken moeten dan worden ingediend, tenzij er een gerechtvaardigde weigering op grond van artikel 8:29 van de Awb bestaat of bij uitzonderingsgevallen zoals misbruik van procesrecht. Dit geldt ook als deze stukken volgens het bestuursorgaan geen rol in zijn besluitvormingsproces hebben gespeeld, omdat niet is uitgesloten dat uit die stukken feiten of omstandigheden blijken die in het belang van de verdediging van de belanghebbende zijn.

7.4.
Voor de door eiseres genoemde (mogelijk bestaande) stukken geldt dat eiseres niet uiteen heeft gezet waarom het van belang is dat deze stukken aan haar beschikbaar worden gesteld en daarmee ook niet of deze stukken voor de beoordeling van deze zaak van belang zijn. Dit betekent dat het betoog van eiseres niet slaagt. De rechtbank wijst het verzoek van eiseres om de door haar bedoelde stukken alsnog door BFT in te laten dienen, daarom af.”

4.2
[naam 1] voert aan dat de rechtbank heeft miskend dat [naam 1] niet hoeft te onderbouwen waarom zij inzage wenst in specifieke op de zaak betrekking hebbende stukken, omdat voor boetes geldt dat alle relevante informatie ter inzage moet worden gegeven vanwege het zwaarwegende belang bij kennisname van alle stukken, waaronder stukken die niet als bewijs zijn gebruikt. Zij wijst in dit verband op artikel 5:49 van de Awb en artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), alsmede op het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 24 februari 1994, in de zaak van Bendenoun tegen Frankrijk (ECLI:CE:ECHR:1994:0224JUD001254786).

4.3
BFT voert aan dat het alle op de zaak betrekking hebbende stukken ter inzage heeft verstrekt. Voor zover de door [naam 1] genoemde stukken bestaan, zijn dat geen op de zaak betrekking hebbende stukken en valt niet in te zien dat [naam 1] door het niet ter inzage leggen van deze stukken in enig belang is geschaad of dat haar verdedigingsrechten zijn geschonden.

4.4
Het College stelt voorop dat de rechtbank een juist beoordelingskader heeft gehanteerd bij de beoordeling of sprake is van op de zaak betrekking hebbende stukken. Met de rechtbank is het College van oordeel dat [naam 1] niet duidelijk heeft gemaakt waarom correspondentie en overleg tussen BFT en het BTW over het onderzoek van het BTW naar [naam 3] en stukken rond intern beraad bij BFT voor haar verdediging van belang zijn. Voor zover [naam 1] de genoemde correspondentie wil inzien om na te gaan of de aanleiding van het onderzoek van BFT wel rechtmatig was, ziet zij eraan voorbij dat voor het uitoefenen van de toezichtsbevoegdheden in beginsel niet relevant is of en zo ja, welk feit, signaal, grond of vermoeden aan die uitoefening vooraf is gegaan (zie de uitspraak van het College van 12 oktober 2017, ECLI:NL:CBB:2017:326, onder 4.4). BFT heeft zelfstandig onderzoek verricht naar de naleving van de Wwft door [naam 1] . In dat licht bezien, valt niet in te zien waarom die correspondentie hier van belang is. Verder volgt uit de beslissingen van het College van 6 mei 2021 (ECLI:NL:CBB:2021:970, onder 5.2, en ECLI:NL:CBB:2021:968, onder 4.7) niet dat intern beraad en interne e-mails zonder meer als op de zaak betrekking hebbende stukken kwalificeren. In die zaken was sprake van voor de verdediging relevante informatie, maar [naam 1] heeft niet duidelijk gemaakt waarom die interne stukken hier voor haar relevant zijn.

4.5
De hogerberoepsgrond slaagt niet.

Moet bewijs worden uitgesloten?

5.1
De rechtbank heeft, voor zover hier van belang, het volgende overwogen.

“8.1.1. Het betoog van eiseres dat de boete (ook) op wilsafhankelijk materiaal is gebaseerd waarvoor geen cautie is gegeven en dat dergelijk onder dwang verkregen materiaal niet voor punitieve doeleinden mag worden gebruikt en daarom als bewijs moet worden uitgesloten, slaagt niet.

8.1.2.
Hierbij laat de rechtbank buiten beschouwing de vraag of bewijsmateriaal moet worden uitgesloten, omdat verzoekster niet op haar recht op rechtsbijstand is gewezen en vervolgens onder dwang verklaringen heeft afgelegd en documenten heeft verstrekt. Eiseres heeft dit uitgebreide betoog pas voor het eerst tijdens de zitting bij de rechtbank naar voren gebracht, terwijl niet is gebleken dat eiseres dit niet in een eerder stadium had kunnen doen. De rechtbank acht dit daarom in strijd met de goede procesorde. De rechtbank kan het betoog van eiseres overigens ook niet volgen. Los van de vraag of buiten de situatie van een eerste verhoor moet worden gewezen op het recht op rechtsbijstand, heeft eiseres zich (tijdig) van adequate rechtsbijstand voorzien en niet uiteengezet dat zij door het eerder ontbreken daarvan in haar belangen is geschaad.

[…]

8.3.3.
Het betoog van eiseres dat het hiervoor bedoelde wilsonafhankelijk materiaal wilsafhankelijk materiaal is geworden omdat BFT deze stukken met een ‘fishing expedition’ heeft verkregen, slaagt niet. BFT heeft in de informatievordering van 19 mei 2020 voldoende specifiek de door eiseres in punt 8.3.2. genoemde en voor het onderzoek naar de naleving van de Wwft relevante documenten opgevraagd. BFT licht in de informatievordering toe dat de aanleiding voor de informatievordering een ontvangen signaal is waarin één klant van eiseres wordt genoemd en beperkt de vordering tot het dossier [van, toevoeging College] deze specifieke klant ( [naam 3] ) en tot een bepaalde periode (2018 tot en met 2020). Hierbij is vermeld welke gegevens eiseres in ieder geval moet indienen, zoals het permanente dossier, het jaardossier, het cliëntendossier en de auditfiles van [naam 3] en de e-mailcorrespondentie met [naam 3] . Verder geldt dat BFT op het moment van de informatievordering met het bestaan van deze stukken in voldoende mate op de hoogte was, omdat het op dat moment al duidelijk was dat [naam 3] in de periode 2018 tot en met 2020 een klant van eiseres was en dat [naam 3] vanwege het niet naleven van de Wwft een boete opgelegd had gekregen.
Bovendien stond op het moment van de informatievordering vast dat eiseres onder de Wwft viel (op basis waarvan zij een bewaarplicht heeft) en daarom over dergelijke stukken en beleid moet beschikken. De rechtbank verwijst in dit verband naar de ook door eiseres genoemde uitspraak van het EHRM van 4 oktober 2022, nr. 58342/15 (De Legé/Nederland). In deze uitspraak komt het EHRM tot het oordeel dat de bankafschriften en portfolio-overzichten in die procedure niet via een fishing expedition door de autoriteiten waren verkregen omdat vaststond dat de belanghebbende bij de bank in kwestie een rekening had en de autoriteiten daarom op de hoogte waren van het bestaan van die stukken.

[…]”

5.2
[naam 1] voert in de eerste plaats aan dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat zij in strijd heeft gehandeld met de goede procesorde door onder verwijzing naar het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 20 september 2022 (ECLI:NL:GHARL:2022:8130) pas voor het eerst op de zitting aan te voeren dat zij niet op haar recht op een advocaat is gewezen. [naam 1] had namelijk eerder al aangevoerd dat BFT de cautieplicht heeft geschonden en ten onrechte wilsafhankelijk materiaal bij de boeteoplegging heeft betrokken en de verwijzing naar dat arrest op zitting is een aanvulling van de motivering van die beroepsgrond. In de tweede plaats voert [naam 1] aan dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat geen sprake was van een fishing expedition. Daarvan was gelet op het arrest van het EHRM van 4 oktober 2022 in de zaak van De Legé tegen Nederland (nr. 58342/15, ECLI:CE:ECHR:2022:1004JUD005834215) en het arrest van de Hoge Raad van 14 november 2023 (ECLI:NL:HR:2023:1562, onder 3.5.3) namelijk wel sprake, omdat verzoeken om alle gegevens, zonder directe en duidelijke aanknopingspunten dat deze gegevens daadwerkelijk bestaan, als een fishing expedition worden gekwalificeerd. In de brief van BFT van 19 mei 2020 worden juist die termen gebruikt waarvan de Hoge Raad heeft geoordeeld dat er sprake was van een fishing expedition. Omdat [naam 1] ten onrechte niet op haar recht op een advocaat is gewezen en sprake was van een fishing expedition, moeten de volgende stukken van bewijs worden uitgesloten:
a. de e-mails tussen [naam 1] en [naam 3] over de boete van BTW in 2020;

b. het bespreekverslag van het jaarwerk 2018;

c. de interne correspondentie; en

d. overige correspondentie tussen [naam 1] en [naam 3] .

Bron: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:CBB:2025:342

Print deze pagina

Leave a Reply

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *