CBb 27 mei 2026, ECLI:NL:CBB:2026:216 – Gedragingen voor inwerkingtreding Energiewet kunnen leiden tot bindende aanwijzing Energiewet, nu oude wet zelfde verplichtingen kende. ACM niet verplicht tot bindende aanwijzing – tekst van de wet voorziet in discretionaire bevoegdheid.
Instantie: College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak: 27 mei 2026
Datum publicatie: 27 mei 2026
ECLI: ECLI:NL:CBB:2026:216
Rechtmatigheid van het bestreden besluit
3 De voorzieningenrechter is allereerst van oordeel dat, anders dan de energieleverancier heeft betoogd, de omstandigheid dat de gedragingen van de energieleverancier hebben plaatsgevonden voor de inwerkingtreding van de Energiewet op zichzelf niet betekent dat de ACM deze gedragingen niet heeft kunnen aanmerken als overtredingen van bepalingen van de Energiewet. De ACM mag deze gedragingen, die hebben plaatsgevonden onder de oude wetgeving, dus in beginsel ten grondslag leggen aan de bindende aanwijzing op grond van de nieuwe wetgeving, de Energiewet. De verplichtingen waaraan de energieleverancier voor de inwerkingtreding van de Energiewet moest voldoen, zijn met de inwerkingtreding van de Energiewet namelijk materieel niet wezenlijk veranderd.
4 Verder is de voorzieningenrechter van oordeel, anders dan de ACM heeft betoogd, dat uit de tekst van artikel 12j van de Instellingswet ACM niet volgt dat de ACM, wanneer sprake is van een wettelijk voorschrift waarop zij toezicht houdt, een bindende aanwijzing moet opleggen. Weliswaar leidt de ACM uit de toelichting bij dit artikel af dat zij daartoe verplicht is, maar uit de tekst van de wet blijkt dit niet. In het artikel is namelijk bepaald dat de ACM, in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift waarvoor zij met het toezicht op de naleving daarvan is belast, aan de overtreder een bindende aanwijzing kan opleggen. Dit betekent dat de ACM een discretionaire bevoegdheid heeft om een bindende aanwijzing op te leggen. De voorzieningenrechter is in dit verband wel van oordeel dat de ACM voldoende heeft gemotiveerd waarom zij heeft besloten om gebruik te maken van haar bevoegdheid tot het opleggen van een bindende aanwijzing, namelijk vanwege de omstandigheid dat in een bindende aanwijzing, anders dan bijvoorbeeld bij een lichter handhavingsmiddel zoals de toezegging, de overtreding wordt vastgelegd en er bij verder ingrijpen geen nader onderzoek nodig is.
Bron: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:CBB:2026:216
Leave a Reply