CBb 30 september 2025, ECLI:NL:CBB:2025:544 – Eendaadse samenloop – Minister houdt er terecht rekening mee door slechts één boete op te leggen (maar dan wel voor de zwaarste overtreding).
Instantie College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak: 30 september 2025
Datum publicatie: 2 oktober 2025
ECLI: ECLI:NL:CBB:2025:544
Fragment:
Hoogte van de boete
5.1
Compaxo heeft betoogd dat de minister bij de oplegging van de in geding zijnde boetes een onjuiste toepassing gegeven aan de recidivebepaling van artikel 2.5, eerste lid, van het Besluit handhaving en overige zaken Wet dieren. Volgens Compaxo heeft de minister daarbij ten onrechte steeds gekozen voor beboeting van de overtreding die, na toepassing van de recidivebepaling, de hoogste boete oplevert, namelijk overtreding van punt 2, aanhef en onder b, in Hoofdstuk I van Bijlage II van Verordening 852/2004, althans heeft de minister niet inzichtelijk gemaakt waarom hij dit heeft gedaan.
5.2
Het College wijst erop dat de minister in de onderhavige drie boetebesluiten heeft vastgesteld dat steeds verschillende bepalingen zijn overtreden. In het geval van boetebesluit 201903786 en boetebesluit 202100799 ging het om punt 2, aanhef en onder b, in Hoofdstuk I van Bijlage II van Verordening 852/2004 en punt 3 in Hoofdstuk IX van Bijlage II van Verordening 852/2004, en in het geval van boetebesluit 202100282 ging het om punt 2, aanhef en onder b, in Hoofdstuk I van Bijlage II van Verordening 852/2004 en punt 1, aanhef en onder c, in Hoofdstuk II van Bijlage II van Verordening 852/2004. Op grond van artikel 2.2, eerste lid, aanhef en onder c, van het Besluit handhaving in samenhang gelezen met artikel 1.2 en de bijlage bij de Regeling handhaving is de hoogte van de boete die de minister voor overtreding van elk van deze bepalingen kan opleggen € 2.500,-.
5.3
In de drie boetebesluiten heeft de minister berekend welke boetes in elk van de drie gevallen vanwege het overtreden van de verschillende betrokken bepalingen zouden kunnen worden opgelegd. Hierbij heeft de minister het standaardboetebedrag op grond van de recidivebepaling steeds verhoogd, als er sprake was van recidive.
5.4
Bij de vaststelling van de hoogte van elk van de aan Compaxo opgelegde boetes heeft de minister allereerst rekening gehouden met de omstandigheid dat sprake was van samenhang tussen de betrokken bewezenverklaarde beboetbare feiten en heeft hij daarom slechts voor overtreding van één van deze feiten een boete opgelegd. Volgens vaste werkwijze heeft hij daarbij gekozen voor beboeting van de overtreding die (na verhoging wegens recidive) de hoogste boete oplevert. Dat was volgens de minister in alle drie de gevallen de overtreding van punt 2, aanhef en onder b, in Hoofdstuk I van Bijlage II van Verordening 852/2004. Daarvoor heeft hij erop gewezen dat Compaxo op 29 december 2017 eerder is beboet voor eenzelfde overtreding van punt 2, aanhef en onder b, in Hoofdstuk I van Bijlage II van Verordening 852/2004 en er ten tijde van het begaan van de overtredingen nog geen vijf jaren waren verlopen sinds die eerdere boete onherroepelijk was geworden. Die eerdere boete beliep € 5.000,- en betrof ook al een – wegens recidive – verhoogde boete.
5.5
Het College is met de minister van oordeel dat het de minister vrij staat om te kiezen voor welke overtreding hij een boete oplegt en om daarbij de boete op te leggen voor de overtreding die bij toepassing van de recidivebepaling de hoogste boete oplevert. In dit geval resulteert dat in drie boetes van (€ 2.500,- + € 5.000,- =) € 7.500,-. Het College ziet niet in dat de minister hierbij een onjuiste toepassing heeft gegeven aan de recidivebepaling. Anders dan Compaxo meent, is het, gelet op hetgeen hiervoor onder 6.3 is overwogen, ook bij toepassing van de recidivebepaling niet van belang of druppels wel of niet zijn gevallen. Het betoog van Compaxo slaagt dan ook niet.
5.6
Al met al is het College van oordeel dat de opgelegde boetes evenredig zijn.
Bron: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:CBB:2025:544
Leave a Reply