Parket bij de Hoge Raad 17 april 2026, ECLI:NL:PHR:2026:421 – Omkering bewijslast in het belastingrecht bij het niet doen van aangifte is (nog steeds) geen criminal charge.
Instantie: Parket bij de Hoge Raad
Datum uitspraak: 17 april 2026
Datum publicatie: 1 mei 2026
ECLI: ECLI:NL:PHR:2026:421
5Leidt omkering van de bewijslast tot een ‘criminal charge’?
5.1
Belanghebbende wil met het beroep in cassatie twee in zijn ogen principiële kwesties aan de orde stellen.41 Eén daarvan is de vraag of de omkering van de bewijslast bewerkstelligt dat de procedure een ‘criminal charge’ betreft in de zin van art. 6 EVRM. Daarover gaat dit hoofdstuk van deze conclusie.
5.2
Het gaat hierbij om de regeling neergelegd in art. 25(3) en art. 27e AWR volgens welke het bezwaar respectievelijk het beroep ongegrond wordt verklaard (onder meer) indien de vereiste aangifte niet is gedaan, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de aanslag of de uitspraak op bezwaar onjuist is.
5.3
Art. 6 EVRM kent degene die ‘charged’ is ‘with a criminal offence’ een aantal minimumrechten toe in de procedure betreffende die ‘charge’. Deze verdragsbepaling heeft ook een ‘civiele tak’, maar de garanties die justitiabelen aan deze civiele tak kunnen ontlenen, kunnen niet ingeroepen worden door belastingplichtigen in een fiscale procedure; de rechterlijke toetsing van een belastingaanslag is namelijk niet een procedure betreffende de ‘determination of his civil rights or obligations’.42
5.4
De minimumrechten van degene die strafrechtelijk is aangeklaagd betreffen met name het recht op een eerlijke en openbare behandeling van de zaak, de redelijke termijn, de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van het gerecht en de openbaarheid van de uitspraak (lid 1) en daarnaast het vermoeden van onschuld (lid 2) en de kennisneming van de beschuldiging, de tijd en faciliteiten voor de verdediging, rechtsbijstand, het ondervragen van getuigen en de bijstand door een tolk (lid 3).
5.5
Al in 1998 oordeelde de Hoge Raad dat de omkering van de bewijslast niet meebrengt dat de belastingprocedure een ‘criminal charge’ betreft:43
“3.3. (…) Ook is de uit artikel 29, lid 2, AWR voortvloeiende omkering en verzwaring van de bewijslast, anders dan het middel nog betoogt, geen strafsanctie in de zin van artikel 6 van het EVRM. Het is een dwangmiddel van administratiefrechtelijke aard, gericht op het bevorderen van juiste en volledige aangiften, niet een maatregel met een afschrikwekkend of bestraffend karakter. Voorzover de maatregel al een zodanige werking heeft, blijft de primaire strekking zozeer overwegen, dat de sanctie niet “criminal” in de hier bedoelde zin kan worden genoemd.”
5.6
In zijn arrest van 6 juli 2018 herhaalde de Hoge Raad dat de omkering van de bewijslast een bestuursrechtelijke maatregel is en verwierp daarmee de stelling dat het gaat om een ‘sanctie met een persoonlijk karakter’ die moet vervallen als de procedure wordt voortgezet door erfgenamen. Daarbij verwees de Hoge Raad naar het hiervoor (5.5) weergegeven arrest van 8 juli 1998.44
5.7
Het Hof heeft in deze zaak de stelling van belanghebbende over het ‘criminele’ karakter van de omkering van de bewijslast verworpen onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad uit 1998:
“5.14. (…) Voor zover belanghebbende stelt dat toepassing van de omkering en verzwaring van de bewijslast strijdig is met artikel 6 van het Europees verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) faalt deze stelling (zie HR 8 juli 1998, ECLI:NL:HR:1998:AA2337, BNB 1998/326).”
5.8
In cassatie keert belanghebbende zich tegen deze overweging van het Hof met een betoog dat erop neer komt dat de Hoge Raad van het arrest uit 1998 (5.5) zou moeten terugkomen. Belanghebbende verwijst daartoe naar een passage uit het proefschrift van Heidekamp. Daarin schrijft de auteur:45
“De toepassing van de omkering van de bewijslast is als zodanig naar nationaal recht geen bestraffende sanctie, zoals de bestuurlijke boete dat wel is.46 Veeleer is er sprake van een bewijsrechtelijke of processuele sanctie.47 De belastingplichtige wordt door de omkering en verzwaring echter wel in hoge mate belemmerd in het leveren van (tegen)bewijs. Daarom is de vraag gerechtvaardigd of deze bewijsrechtelijke sanctie op zichzelf een ‘criminal charge’ oplevert in de zin van art. 6 EVRM.
De Hoge Raad heeft de omkering getoetst aan de Engel-criteria van het EVRM48 en kwam tot de conclusie dat de bestraffende en afschrikwekkende kenmerken niet voldoende zijn om te kunnen spreken van een criminal charge als bedoeld in art. 6 EVRM.49 Dat laat onverlet dat de Hoge Raad de omkering dikwijls als ‘sanctie’ kwalificeert.50 Voor de Hoge Raad is naar mijn mening doorslaggevend geweest dat de omkering beoogt de door de belastingplichtige veroorzaakte bewijsnood van de inspecteur te helen.51 De omkering is dus eerst en vooral een bewijsvoorschrift. Deze niet-punitieve strekking overheerst: het vergaren van informatie ten behoeve van de heffing staat centraal, niet het bestraffen van de belastingplichtige.52 Of het EHRM tot dezelfde conclusie zal komen, kan worden betwijfeld. Het is immers goed denkbaar dat de belastingschuld op basis van de redelijke schatting van de inspecteur (veel) hoger uitvalt dan de werkelijke, materiële belastingschuld.53 Bovendien is algemeen aanvaard dat de belastingplichtige die de omkering van de bewijslast krijgt tegengeworpen, zich in een vrijwel onmogelijke bewijspositie bevindt.54 Tegen deze achtergrond zou de beoordeling op grond van de Engel-criteria naar mijn mening evengoed anders kunnen uitvallen: de facto heeft de sanctie wel degelijk punitieve kenmerken, die ook als zodanig worden ervaren.55 Verdere aanknopingspunten ontleen ik aan het elders reeds in een ander kader behandelde EHRM-arrest Västberga Taxi,56 waarin de Zweedse Belastingdienst verhogingen van 20% had opgelegd. In het kader van de toetsing van de sanctie aan de Engel-criteria overwoog het EHRM onder meer dat het achterliggende doel weliswaar de adequate informatievoorziening van de belastingautoriteiten was, maar dat dit doel werd nagestreefd door middel van wettelijke informatieverplichtingen, op de schending waarvan een aanzienlijke (onbegrensde) financiële sanctie stond, die niet was bedoeld als compensatie of schadevergoeding maar als afschrikmiddel om medewerking af te dwingen en een gebrek daaraan te bestraffen.57 Naar mijn mening gaan deze overwegingen in belangrijke mate ook op voor de Nederlandse omkering. Een wezenlijk verschil is uiteraard dat de Zweedse wetgeving voorzag in een gefixeerde verhoging van de alsnog verschuldigde belasting. De omkering bewerkstelligt daarentegen alleen dat de inspecteur de belastingschuld als zodanig kan vaststellen aan de hand van een ruime, maar nog wel redelijke schatting. Naar mijn mening zijn de verschillen echter niet levensgroot: de omkering komt vanwege die ruime schatting evengoed neer op een verhoging, zij het dat de exacte omvang daarvan onbekend blijft. Juist daarom is die verhoging in potentie aanzienlijk en in wezen onbegrensd. Met name de verzwaarde tegenbewijsgradatie werkt in mijn optiek vervolgens afschrikwekkend en bestraffend. In de literatuur wordt reeds lange tijd gewezen op het (gedeeltelijke) strafkarakter van de maatregel,58 maar tegelijkertijd ook op het achterliggende doel van de omkering (voorkomen dat het bewijsrisico bij een weigerachtige belastingplichtige achterblijft bij de inspecteur).59 Mocht het EHRM bij gelegenheid het afschrikwekkende en bestraffende karakter van de omkering doorslaggevend achten, zou dat verstrekkende gevolgen kunnen hebben. De omkering geldt dan immers als criminal charge wegens het niet voldoen aan de informatieverplichtingen, waardoor de bescherming van art. 6 EVRM zou gaan gelden.60 In de eerste plaats zou de bewijslast ten aanzien van de toepasselijkheid van de omkering onder invloed van de onschuldpresumptie komen te staan.61 De onschuldpresumptie zou naar mijn mening twee gevolgen hebben voor die bewijslast: enerzijds zou het niet langer voldoende zijn om de toepasselijkheid aannemelijk te maken (maar moet de inspecteur die ‘beyond reasonable doubt’ bewijzen), anderzijds zou de verzwaarde tegenbewijsregeling onhoudbaar worden.62 In de tweede plaats zouden bepaalde bewijsmiddelen die in een andere procedure onder dwang van de belastingplichtige zijn verkregen, vanwege de bescherming van het nemo tenetur-beginsel niet meer mogen worden gebruikt voor het bewijs van de toepasselijkheid van de omkering.63 In de derde plaats zouden alle overige waarborgen van art. 6 EVRM gaan gelden, waaronder de mededelingsplicht en de redelijke termijn.”
5.9
Bij het door belanghebbende omarmde betoog van Heidekamp kunnen naar mijn mening een drietal relativerende kanttekeningen worden geplaatst en dat ga ik hierna doen.
5.10
In de eerste plaats wordt de belastingplichtige die te maken heeft met de omkering van de bewijslast procedureel niet ‘belemmerd in het leveren van (tegen)bewijs’.64 Hij mag met alle daartoe beschikbare bewijsmiddelen dat tegenbewijs leveren. Wel moet hij voldoen aan een hoge bewijsmaatstaf: hij kan niet volstaan met aannemelijk maken, maar moet doen blijken dat de aanslag te hoog is. Anders dan Heidekamp zou ik die zware bewijsmaatstaf daarom niet willen omschrijven als een belemmering bij het leveren van (tegen)bewijs.
5.11
In de tweede plaats zie ik niet goed in waarom de omstandigheid dat het ‘goed denkbaar (is) dat de belastingschuld op basis van de redelijke schatting van de inspecteur (veel) hoger uitvalt dan de werkelijke, materiële belastingschuld’ meebrengt dat de omkering van de bewijslast punitief is. Ook de normale regels van de bewijslastverdeling en de normale bewijsmaatstaf kunnen ertoe leiden dat iemand (veel) meer belasting moet betalen dan hij op basis van de materiële werkelijkheid verschuldigd is. Dat doet zich met name voor als de belastingplichtige ervoor heeft gezorgd dat de materiële werkelijkheid niet meer goed te achterhalen is. Iemand die de bonnetjes weggooit ter zake van uitgaven die tot een aftrekpost leiden, moet op de blaren zitten. En dat geldt ook voor degene die zijn hele administratie bij het oud papier zet of ervoor kiest niet te reageren op uitnodigingen tot het doen van aangifte. Dat zo iemand zich ‘in een vrijwel onmogelijke bewijspositie’ heeft gemanoeuvreerd is wel heel spijtig maar kan toch moeilijk aan de gemeenschap (de fiscus) worden toegerekend.
5.12
In de derde plaats is de vergelijking die Heidekamp maakt met de Zweedse verhogingen van 20%, die naar het oordeel van het EHRM strafrechtelijk van aard zijn, niet helemaal concludent. De auteur signaleert zelf al dat de Zweedse verhoging ‘niet was bedoeld als compensatie of schadevergoeding maar als afschrikmiddel om medewerking af te dwingen en een gebrek daaraan te bestraffen’. In zijn arrest van 8 juli 1998 (5.5) oordeelde de Hoge Raad echter dat de omkering van de bewijslast nu juist niet een afschrikwekkend of bestraffend karakter heeft. Het gaat er om of dit oordeel van de Hoge Raad aan herziening toe is. Het arrest van het EHRM over de Zweedse verhogingen bevestigt dat de Hoge Raad de juiste maatstaf hanteerde, maar zegt niet hoe de beoordeling moet uitvallen.
5.13
De uiteenzetting van Heidekamp overtuigt mij daarom niet. Voor een verdere analyse van de voorliggende vraag grijp ik terug op de ook door Heidekamp genoemde Engel-criteria.
5.14
Die Engel-criteria65 houden in dat de vraag of een ‘criminal charge’ is uitgebracht wordt beantwoord aan de hand van (1) de kwalificatie van het feit onder nationaal recht, (2) de aard van de overtreding en (3) de zwaarte van de straf (‘penalty’) die kan worden opgelegd. Het eerste criterium is slechts een ‘starting point’. Verder zijn de twee laatste criteria alternatieve criteria en niet cumulatieve voorwaarden66, al moeten zij wel in onderlinge samenhang worden bezien als een afzonderlijke beschouwing niet leidt tot een duidelijke conclusie.67
5.15
Bij toepassing van deze Engel-criteria is het belangrijk voor ogen te houden dat art. 6 EVRM procedurele garanties wil bieden aan degene die ‘charged’ is ter zake van een strafbaar feit. Het begint dus met die ‘charge’, dat wil zeggen de ‘aanklacht’ of ‘beschuldiging’.
5.16
In een geval als dat van belanghebbende is duidelijk dat hij is ‘aangeklaagd’ ter zake van een feit waarop een punitieve sanctie is gesteld. Hem is verweten dat hij opzettelijk geen aangifte heeft gedaan. Dat feit is beboetbaar (art. 67d AWR) en, als dit feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, ook strafbaar (art. 69(1) AWR). De omkering van de bewijslast grijpt materieel gezien aan bij ditzelfde feit, namelijk het niet doen van de vereiste aangifte (art. 25(3) en art. 27e(1) AWR).
5.17
Betoogd kan worden dat de kwalificatie onder nationaal recht (het eerste Engel-criterium) van het feit dat tot omkering van de bewijslast leidt (‘het niet doen van de vereiste aangifte’) strikt genomen en louter bezien vanuit de tekst art. 25(3) en 27e(1) AWR niet strafrechtelijk is. Maar het feit dat in deze zaak leidt tot de omkering van de bewijslast (het niet doen van de vereiste aangifte) ligt wel dicht bij het feit dat leidt tot oplegging van een (bestuurlijke) strafsanctie.
5.18
Hier doet zich gevoelen dat in Nederland de procedure over de aanslagregeling sterk vervlochten is met de bestuurlijke bestraffing van fiscale delicten. Als een belastingplichtige geen boete aangezegd krijgt in verband met het niet doen van aangifte, en in verband daarmee ook niet voor de strafrechter wordt gedaagd, dan meen ik dat de omkering van de bewijslast op zichzelf bezien niet de conclusie kan rechtvaardigen dat hij ‘charged’ is. Zeker, het niet doen van de vereiste aangifte heeft, net als het niet bewaren van bonnetjes van aankopen, nadelige consequenties voor de bewijspositie van de belastingplichtige in de bezwaar- en beroepsfase, maar daarmee is de procedure over de aanslag nog niet een onder art. 6(2) EVRM vallende procedure geworden waarin de gegrondheid van een criminal charge wordt beoordeeld.
5.19
De omkering van de bewijslast heeft volgens de Hoge Raad (5.5) primair een reparatoire strekking en is als zodanig in termen van de Awb een herstelsanctie68 gericht op het ongedaan maken van het ongerechtvaardigde bewijsvoordeel dat een belastingplichtige zou genieten door niet de vereiste medewerking te verlenen aan de vaststelling van de voor zijn heffing relevante feiten. De wettelijke regeling van de omkering van de bewijslast heeft wel een zekere overkill.69 Maar door de manier waarop die wettelijke regeling in de rechtspraak wordt uitgelegd en toegepast wordt die overkill goeddeels gemitigeerd en wordt recht gedaan aan de reparatoire strekking van de regeling.70 Die overkill kan nog verder wordt vermeden als de Hoge Raad (de bijlage bij) mijn conclusie van 31 januari 2025 volgt en oordeelt dat de omkering van de bewijslast (slechts) partieel moet plaatsvinden als de aangifte aanzienlijk te laag was.71
5.20
Maar in deze zaak is wel een boete aangezegd en deze procedure gaat mede over die boete. Belanghebbende is feitelijk dus ‘charged’ en de procedure waarin de omkering van de bewijslast wordt toegepast gaat mede over de gegrondheid van die ‘charge’. Dat compliceert de zaak.
5.21
Het EHRM heeft zich in de zaak Vegotex in 2022 in een ‘Grand Chamber’ uitgelaten over een vergelijkbare vervlechting in België:72
71. The proceedings in question concerned both the recovery of the tax, which does not per se come within the scope of the criminal limb of Article 6 § 1, and the tax penalty, which is covered by that provision. In principle, the Court must examine the proceedings only in so far as they related to a “criminal charge” against the applicant company.
72. Nevertheless, as explained by the applicant company (see paragraph 63 above), under Belgian law the proceedings relating to these two aspects form a whole, at both the administrative and the judicial stage. Belgian law makes no distinction, in procedural terms, between the challenging by the taxpayer of the tax assessment on the one hand and of the penalty on the other. In the present case, if the domestic courts had found that recovery of the tax debt had become time-barred, this would have necessarily meant that no tax penalty was due.
73. Thus, it is particularly difficult to distinguish the aspects of the proceedings concerning the “criminal charge” from those that concerned other matters. Accordingly, an examination of the proceedings in relation to the tax penalty will inevitably require the Court to take into consideration the aspects of the proceedings concerning the supplementary tax assessment (see Jussila, cited above, § 45; see also, to similar effect, Georgiou v. the United Kingdom (dec.), no. 40042/98, 16 May 2000; Janosevic v. Sweden, no. 34619/97, § 79, ECHR 2002‑VII; and Sträg Datatjänster AB v. Sweden (dec.), no. 50664/99, 21 June 2005).
74. The Court must therefore consider whether the tax assessment proceedings in respect of the tax penalty imposed on the applicant company complied with the requirements of Article 6, having due regard to the facts of the individual case, including any relevant features flowing from the taxation context (see Jussila, cited above, § 39).
5.22
Het EHRM toetste de Belgische procedure dus alleen aan de strafrechtelijke waarborgen van art. 6 EVRM voor zover die procedure betrekking had op de aanklacht die leidde tot de boete (par. 71). Maar het mensenrechtenhof betrok daarin wel de voor die boete relevante kenmerken (‘features’) van de procedure betreffende de aanslag (par. 74). De omstandigheid dat van Vegotex werd nagevorderd omdat zij in de ogen van de Belgische fiscus een valse aangifte had gedaan, waarvoor aan haar ook een boete werd opgelegd, brengt echter niet mee dat de procedure over de navordering zelf onder het bereik van de ‘strafrechtelijke tak’ van art. 6 EVRM valt.
5.23
De invloed van vervlechting van een strafrechtelijke procedure met een procedure over een maatregel met een reparatoir karakter komt ook tot uitdrukking in het arrest van het EHRM in de zaak Hamer73. Het ging in die zaak om iemand uit Nederland die een vakantiewoning in België had geërfd. Die vakantiewoning was lang geleden zonder bouwvergunning gebouwd. De erfgename werd gedagvaard om te verschijnen voor de Belgische strafrechter. Haar werd ten laste gelegd dat zij een zonder vergunning gebouwde woning in stand had gelaten. Zij werd in hoger beroep schuldig bevonden, maar wegens overschrijding van de redelijke termijn legde het Antwerpse Hof van Beroep haar geen straf op. Wel beval het Hof van Beroep de ongelukkige erfgename het perceel in zijn originele staat te herstellen (lees: de vakantiewoning af te breken), met een dwangsom van € 125 per dag bij niet nakoming. Ook werd de gemeente het recht gegeven om (de Belgische equivalent van) bestuursdwang toe te passen. De vraag was of het bevel tot afbraak van de vakantiewoning voor de toepassing van art. 6 EVRM moet worden beschouwd als een straf (penalty). Het EHRM beantwoordde die vraag in bevestigende zin (onderstrepingen door mij – RJK):
“51. The Court considers it necessary in the first place to single out the following facts for particular consideration.
52. As regards the offence of maintaining a building erected without planning permission, the Court of Appeal, bearing in mind that the reasonable time under Article 6 of the Convention had been exceeded, made a mere finding of guilt against the applicant under Article 21 ter of the Code of Criminal Procedure. (…)
53. In addition, the Court of Appeal ordered the applicant to restore the site to its former condition and accordingly to demolish the impugned building.
54. This “remedial measure”, consisting of restoring the site to its original condition, is provided for in Article 149 of the decree of 18 May 1999 (see paragraph 38 above), which stipulates that in addition to the “penalty” the criminal court shall order the site to be restored to its original condition upon an application by the planning inspector. The court is not empowered to take the initiative in this regard (it cannot therefore order the measure of its own motion); it can review the lawfulness of the measure but not the appropriateness. Furthermore, the measure may only be ordered as a result of a contravention of planning law and is therefore dependent on the outcome of the criminal proceedings.
55. In the instant case, although the Court of Appeal had held that the reasonable time within the meaning of Article 6 of the Convention had been exceeded, it drew no conclusion from that as regards the remedial measure for which the competent planning inspector had applied to the public prosecutor in June 1995, and ordered the demolition of the house in issue.
56. The Government alleged that there was no provision in Article 21 ter of the Code of Criminal Procedure for the “remedial measure”, which was of a strictly civil nature and was not dependent upon the outcome of criminal proceedings in the event that the reasonable time was exceeded.
57. The Court notes that, even assuming that the measure falls under the civil head of Article 6, it is nonetheless subject to the reasonable-time requirement. It notes further that the classification of the remedial measure in domestic law is the subject of conflicting legal theory and case-law (see, in particular, the judgments of the Court of Cassation of 8 September 1998 and 16 January 2003, according to which it is not a penalty but a civil measure, and the ruling of the Administrative Jurisdiction and Procedure Court of 26 November 2003, according to which, although civil, the measure cannot be dissociated from the criminal proceedings – paragraph 43 above). In the present case the planning inspector’s application arose out of criminal proceedings brought against and having very serious consequences for the applicant.
(…)
59. The Court reiterates that the concept of a “criminal charge” within the meaning of Article 6 is an autonomous one. In earlier case-law, the Court has established that there are three criteria to be taken into account when it is being decided whether a person was “charged with a criminal offence” for the purposes of Article 6. These are the classification of the offence under national law, the nature of the offence, and the degree of severity of the penalty that the person concerned risked incurring (see, among other authorities, A.P., M.P. and T.P. v. Switzerland, 29 August 1997, § 39, Reports of Judgments and Decisions 1997-V).
60. Having regard to the foregoing considerations, the Court considers that the demolition measure can be regarded as a “penalty” for the purposes of the Convention.”
5.24
Het EHRM kende de erfgename een vergoeding toe van € 5.000 voor immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn, en liet het daarbij. De gevraagde vergoeding van schade wegens de afbraak van de vakantiewoning werd afgewezen.
5.25
Ik meen dat er ‘zeker en vast’ geen ‘criminal charge’ zou zijn aangenomen als in Nederland aan Hamer (de ongelukkige erfgename uit het hiervoor besproken arrest van het EHRM) een vergelijkbare last onder dwangsom was opgelegd. Dan was er in de bestuursrechtelijke procedure over die last onder dwamngsom geen verband geweest met een echte straf- of boete-zaak. Maar in België is dat anders omdat daar de last onder dwangsom door de strafrechter werd uitgesproken onder de voorwaarde dat de betrokkene schuldig werd bevonden aan het strafbare feit van het in stand laten van een zonder vergunning gebouwde opstal. Die nauwe vervlechting trekt de procedure over de herstelsanctie als het ware de strafrechtelijke sfeer in.
5.26
Deze vervlechting is in een procedure als die waarover deze zaak gaat minder nauw. Het in stand blijven van de veroordeling voor het beboetbare feit is niet een voorwaarde voor het kunnen toepassen van de omkering van de bewijslast. De omkering geldt ook als er helemaal geen boete is opgelegd. Daarom lijkt de vervlechting tussen de procedure over de aanslag en die over de boete meer op die in de Vegotex-zaak (5.21 en 5.22) dan op die uit de Hamer-zaak (5.23 en 5.24). Ik meen daarom dat die vervlechting niet meebrengt dat de procedure ook voor zover zij betrekking heeft op de aanslag moet voldoen aan de procedurele garanties die in art. 6 EVRM zijn neergelegd voor strafzaken.
5.27
Hiervoor zette ik al uiteen dat die omkering naar zijn strekking niet punitief (‘leedtoevoegend’) maar reparatoir (‘herstellend’) is. Doordat in de rechtspraak bij de uitleg en toepassing van de regeling van de omkering van de bewijslast – naar mijn indruk steeds sterker – wordt gelet op die strekking, worden de elementen van overkill goeddeels geëlimineerd (5.19).
5.28
Dat is naar mijn opvatting een goede zaak. Beter dan te berusten in de materiële overkill, en daaraan de consequentie te verbinden dat de procedure aan strengere regels moet voldoen, is het om die overkill zelf aan te pakken. Hoe effectiever de belastingrechter er in slaagt om de botte bijl van de al 134 jaar oude regeling74 van de omkering van de bewijslast bij te slijpen tot een precisie-instrument, des te minder reden er is om te onderzoeken of toepassing van die omkering neerkomt op een ‘criminal charge’ in de zin van art. 6 EVRM.
5.29
Het voorgaande overziend ben ik van oordeel dat er geen, of althans onvoldoende, grond is voor de Hoge Raad om terug te komen van zijn in het arrest van 8 juli 1998 (5.5) neergelegde oordeel dat de sanctie van omkering van de bewijslast niet ‘criminal’ in de zin van art. 6 EVRM kan worden genoemd. Ik ben ervan overtuigd dat bij een op het reparatoire karakter van de maatregel toegespitste uitleg en toepassing ervan, het mensenrechtenhof in Straatsburg de omkering ook niet zal aanmerken als een onder het bereik van de strafrechtelijk tak van art. 6 EVRM vallende ‘penalty’.
Bron: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:PHR:2026:421
Leave a Reply