Conclusie A-G Koopmans 19 december 2025, ECLI:NL:PHR:2025:1399 – A-G Koopman concludeert dat boete aan DGA en boete aan BV neerkomt op een boete aan dezelfde persoon.

Print deze pagina

Instantie Advocaat-Generaal bij de Hoge Raad

Datum uitspraak: 19 december 2025

Datum publicatie: 16 januari 2026

ECLI: ECLI:NL:PHR:2025:1399

Fragment:

Dezelfde persoon
5.1
In de zaak die nu voorligt is belanghebbende, een directeur/groot aandeelhouder, strafrechtelijk veroordeeld wegens het feitelijk leiding geven aan een strafbare gedraging van ‘zijn’ BV. Tevens is belanghebbende door de Ontvanger aansprakelijk gesteld voor aan de BV opgelegde belastingaanslagen en daarbij opgelegde bestuurlijke boetes. De vraag of de strafvervolging en de boetes zien op hetzefde feit komt hierna aan bod in hoofdstuk ‎6. Eerst behandel ik de vraag of dezelfde persoon tweemaal wordt bestraft, dat wil zeggen: éénmaal strafrechtelijk als feitelijk leidinggever, en éénmaal bestuursrechtelijk, als aansprakelijkgestelde.

5.2
Duidelijk is dat zonder de aansprakelijkstelling een dubbele bestraffing van dezelfde persoon niet aan de orde was geweest. De rechtspersoon en de dga worden niet vereenzelvigd. Dit komt tot uitdrukking in het arrest van de Hoge Raad van 15 maart 2022:16

“4.2.1 Het hof heeft vastgesteld dat door de Inspecteur van de Belastingdienst aan [A] B.V. verzuimboetes zijn opgelegd wegens het niet (tijdig) indienen van de aangifte omzetbelasting als bedoeld in artikel 67b lid 1 AWR en wegens het niet (volledig) betalen als bedoeld in artikel 67c lid 1 AWR van de omzetbelasting over het eerste kwartaal van 2015.

4.2.2
Vervolgens heeft het hof geoordeeld dat de oplegging van deze verzuimboetes “in beginsel” in de weg staat aan strafrechtelijke vervolging van de verdachte wegens het opdrachtgeven of feitelijk leidinggeven aan het door [A] B.V. opzettelijk niet doen van aangifte omzetbelasting over het aangiftetijdvak eerste kwartaal van 2015, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, als bedoeld in artikel 69 lid 1 AWR in verbinding met artikel 51 Sr, zoals onder 1 is tenlastegelegd.

4.2.3
Dat oordeel is onjuist. Artikel 243 lid 2 Sv in verbinding met artikel 255 lid 1 Sv staat er aan in de weg dat na de oplegging van een bestuurlijke boete dezelfde persoon voor hetzelfde feit “opnieuw” in rechte wordt betrokken, behoudens in geval van nieuwe bezwaren. De verdachte wordt echter als natuurlijke persoon vervolgd in de hoedanigheid van degene die opdracht heeft gegeven aan het door [A] B.V. begane feit dan wel aan de verboden gedraging van die vennootschap feitelijke leiding heeft gegeven, als voorzien in artikel 51 Sr, terwijl het hof heeft vastgesteld dat de eerdere verzuimboetes zijn opgelegd aan [A] B.V.
De enkele omstandigheid dat, naar in cassatie kan worden aangenomen, de verdachte ten tijde van het tenlastegelegde feit bestuurder was van de in de tenlastelegging bedoelde [A] B.V. en (door middel van een andere B.V.) enig aandeelhouder was van [A] B.V, maakt de beoordeling van de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging niet anders. Het kan wel in de rede liggen om zo’n omstandigheid te betrekken bij de straftoemeting.
Ook artikel 50 Handvest verzet zich er niet tegen dat, voor zover sprake zou zijn van dezelfde feiten, strafrechtelijke vervolging wegens een belastingverzuim wordt ingesteld tegen een natuurlijke persoon nadat voor dat verzuim een definitieve fiscale sanctie is opgelegd aan een vennootschap met rechtspersoonlijkheid (vgl. HvJ EU 5 april 2017, zaak C-217/15 en C-350/15, ECLI:EU:C:2017:264 (Orsi en Baldetti), rechtsoverweging 17-23).”

5.3
Wanneer echter de bestuurder aansprakelijk wordt gesteld voor de bestuurlijke boete, kan worden betoogt dat die boete in wezen wel aan hem wordt opgelegd. De aansprakelijkstelling voor de boete kan immers volgens art. 32(2) IW 1990 alleen plaatsvinden ‘voor zover het belopen ervan aan de aansprakelijke is te wijten’. Aansprakelijkstelling voor een vergrijpboete is dan ook alleen mogelijk voor zover de bestuurder zelf opzet of grove schuld kan worden verweten. De Hoge Raad overwoog in dit verband:17

“4.3.1. In verband met het preventieve en bestraffende karakter van de verhoging moet de inspecteur die deze oplegt aan een lichaam als bedoeld in artikel 32, lid 1, aanhef en letter e, van de Wet bewijzen dat aan opzet of grove schuld van dat lichaam is te wijten dat te weinig belasting is geheven. Indien nu, zoals hier, een bestuurder wordt aangesproken voor de aan dat lichaam opgelegde verhoging valt niet in te zien dat die verhoging haar preventieve en bestraffende karakter verliest ten aanzien van die bestuurder. Het is dan in overeenstemming met dat karakter en met de in artikel 6 EVRM neergelegde waarborgen om aan te nemen dat voor zodanige aansprakeljkstelling slechts plaats is als de inspecteur tevens bewijst dat het kennelijk onbehoorlijk bestuur waarop de aansprakelijkstelling berust, bestaat uit zodanige gedragingen dat daaruit volgt dat aan opzet of grove schuld van degenen die het bestuur vormden is te wijten dat te weinig belasting is geheven.”

5.4
Dit wordt bevestigd door de parlementaire geschiedenis van de wijziging van laatstgenoemde wetsbepaling in 2002:18

“Een aansprakelijkstelling voor de bestuurlijke boete op grond van artikel 32, tweede lid, Invorderingswet 1990 kan alleen voor zover het belopen van die boete aan de aansprakelijk gestelde is te wijten.(…) Bij het verwijt (de schuld) aan het adres van de aansprakelijk gestelde gaat het immers niet om «de schuld» van de primair belastingplichtige waarover eerder een onherroepelijke rechterlijke uitspraak kan zijn gedaan maar om «de schuld» van de aansprakelijk gestelde zelf.”

5.5
In de zaak die leidde tot het arrest van de Hoge Raad van 21 september 2004 kwam aan de orde of de bestuurder van een BV die werd vervolgd als feitelijk leidinggever met succes het verweer kon voeren dat hij al aansprakelijk was gesteld voor een aan die BV opgelegde bestuurlijke boete voor hetzelfde feit. Het feit bestond (kort gezegd) uit het opzettelijk doen van te lage aangiftes loonheffingen. De Hoge Raad oordeelde:19

“3.4 Geen in de onderhavige zaak toepasselijke rechtsregel brengt mee dat de in het verweer bedoelde aansprakelijkstelling in de weg staat aan een strafvervolging ter zake van feiten als welke hier zijn bewezenverklaard. Voor wat het gedane beroep op niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de vervolging betreft, heeft het Hof het verweer dus terecht verworpen.

Ook voorzover het Hof het verweer mocht hebben opgevat als inhoudende dat ter zake van de bewezenverklaarde feiten strafoplegging achterwege zou moeten blijven op de grond dat de verdachte als gevolg van die aansprakelijkstelling voor die feiten al is bestraft, is het verweer terecht verworpen, omdat hetgeen is aangevoerd bezwaarlijk anders kan worden verstaan dan dat die aansprakelijkstelling nog niet onherroepelijk vaststond.”

5.6
Dit arrest heeft in de fiscale literatuur nogal wat kritiek losgemaakt.20 Verondersteld werd dat de Hoge Raad de aansprakelijkstelling van een persoon voor een bestuurlijke boete die is opgelegd aan een rechtspersoon, niet ziet als een dubbele bestraffing of vervolging van die persoon als deze ook al wordt vervolgd voor het feitelijk leiding geven aan de gedraging die tot de boete heeft geleid. Ik weet niet zeker of die opvatting zo categorisch in het arrest te lezen is. De eerste alinea van de geciteerde rechtsoverweging is zo algemeen geformuleerd dat zij ook betrekking kan hebben op de omstandigheid dat de strafvervolging zag op het doen van onjuiste aangiftes terwijl de boetes waarvoor de betrokkene aansprakelijk werd gesteld zagen op doen van te lage betalingen. Uit de tweede alinea van die rechtsoverweging blijkt dat de Hoge Raad – om redenen die ik niet ken – belang hecht aan de omstandigheid dat de aansprakelijkstelling nog niet onherroepelijk was. Uit beide alinea’s kan niet rechtstreeks worden afgeleid dat de Hoge Raad van oordeel is dat iemand die aansprakelijk is gesteld voor een bestuurlijke boete voor de toepassing van art. 68 Sr. en art. 5:44 Awb niet kan worden aangemerkt als degene die deze boete opgelegd heeft gekregen.

5.7
Ik meen op grond van het voorgaande dat de aansprakelijkstelling op de voet van art. 32(2) IW 1990 van iemand voor een fiscale bestuurlijke boete, voor de toepassing van art. 5:44 Awb op één lijn moet worden gesteld met het opleggen van een bestuurlijke boete aan die persoon. Dit betekent dat art. 5:44(1) Awb in de weg staat aan die aansprakelijkstelling als deze persoon al voor hetzelfde feit strafrechtelijk wordt vervolgd.

Bron: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:PHR:2025:1399

Print deze pagina

Leave a Reply

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *