Rb. Amsterdam 17 juli 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:5933 – RIP-verbod – boete is verhoogd na bezwaar. Dat mag niet.
Instantie Rechtbank Amsterdam
Datum uitspraak: 17 juli 2025
Datum publicatie: 27 oktober 2025
ECLI: ECLI:NL:RBAMS:2025:5933
Fragment:
– [adres] [nummer 5] ( [woonruimte 3] )
8.1.
Eiser stelt dat verweerder ten onrechte een boete heeft opgelegd wegens het exploiteren van een B&B zonder vergunning. Voor het adres [adres] [nummer 5] is een vergunning afgegeven op naam van [naam 3] en [naam 4] . Verweerder is verder van onjuiste feiten aangegaan ten aanzien van de overtreding omzetting van de woonruimte zonder vergunning. Eiser heeft de woning verkamerd na een onjuist advies van een gemeente ambtenaar en toen bleek dat het niet juist was, de verkamering zo snel mogelijk ongedaan gemaakt. Bovendien heeft verweerder gehandeld met het verbod op reformatio in peius, nu in het herziene bestreden besluit het boetebedrag voor de B&B overtreding is verhoogd.
8.2.
De rechtbank stelt vast dat uit het bestreden besluit blijkt dat verweerder aan eiser verwijt de B&B te hebben geëxploiteerd terwijl de exploitanten die op de vergunning staan vermeld, niet langer op het adres wonen. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiser verklaard dat de exploitanten inderdaad ten tijde van het huisbezoek niet meer woonden op het adres. Nu dit niet langer in geschil is tussen partijen, en uit het rapport van bevindingen blijkt dat er toeristen zijn aangetroffen in de studio op nummer [nummer 5] , heeft verweerder terecht vastgesteld dat er sprake is van voornoemde overtreding.
8.3.
Ten aanzien van de omzetting van de zelfstandige woonruimte zonder vergunning overweegt de rechtbank als volgt. Uit het rapport van bevindingen blijkt dat de toezichthouders tijdens het huisbezoek op 2 juli 2022 in de woning een persoon hebben aangetroffen, [naam 8] . Zij heeft verklaard dat zij sinds december 2020 in de woonruimte woont en dat [naam 3] niet meer woonachtig is in de woonruimte, maar nog wel staat ingeschreven. [naam 8] slaapt aan de achterzijde op de bovenste verdieping. In de ruimte naast de woonkamer hebben toezichthouders een volledig ingerichte kamer aangetroffen. Zij hebben een studentenpas van [naam 9] zien liggen en persoonlijke foto’s van [naam 9] aan de muur gezien. [naam 8] heeft verklaard dat in totaal drie vrouwen woonachtig zijn in de woning: zij, [naam 9] en [naam 10] . [naam 9] en [naam 10] mogen zich van eiser niet inschrijven op het adres. De rechtbank is van oordeel dat verweerder op basis van deze verklaring en het beeldverslag van de woning op de [adres] [nummer 5] terecht heeft geconstateerd dat de woonruimte zonder een daartoe vereiste vergunning is omgezet van een zelfstandige woonruimte in onzelfstandige woonruimten, doordat deze woonruimte aan meer dan het aantal toegestane personen (drie huishoudens) in gebruik is gegeven, die de aanwezige wezenlijke voorzieningen met elkaar delen en die geen gezamenlijke huishouding voeren. De stelling van eiser dat niet kan worden uitgegaan van de verklaring van [naam 8] omdat zij deze onder dwang zou hebben afgelegd, is niet onderbouwd. De rechtbank heeft geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de verklaring.
8.4.
Eiser voert aan dat hij is afgegaan op een onjuist advies van een gemeentelijk ambtenaar. De rechtbank vat dit op als een beroep op het vertrouwensbeginsel. Uit het dossier blijkt dat eiser in 2020 een aanvraag voor een omzettingsvergunning voor onder andere het adres [nummer 5] wilde doen en daarover contact heeft gehad met een gemeentelijk ambtenaar. Eiser meent op het verkeerde been te zijn gezet omdat de ambtenaar de indruk zou hebben gewekt dat de omzetting een ‘fluitje van een cent zou zijn’. Uit een WhatsApp bericht van eiser aan deze ambtenaar van 8 september 2020 blijkt dat eiser ‘nu het allemaal veel ingewikkelder blijkt te liggen’, afziet van de aanvraag. De rechtbank stelt op grond van het voorgaande vast dat niet is gebleken van concrete toezeggingen waaraan eiser kon ontlenen dat hij de woning kon omzetten zonder vergunning. Om die reden slaagt zijn beroep op het vertrouwensbeginsel niet.
8.5.
Het beroep van eiser ten aanzien van het schenden door verweerder van het verbod op reformatio in peius slaagt. In het primaire besluit werd geconcludeerd dat de B&B zonder vergunning werd verhuurd. In het bestreden besluit is door verweerder vastgesteld dat het gaat om de overtreding dat de B&B wordt geëxploiteerd terwijl de exploitanten die op de vergunning staan vermeld geen hoofdverblijf hebben op het adres. Bij de overwegingen in het bestreden besluit ten aanzien van de hoogte van de boete is echter door verweerder het verkeerde boetebedrag opgelegd, te weten € 8.700,- behorend bij de overtreding dat zonder vergunning een B&B op het adres [adres] [nummer 5] is geëxploiteerd. Dit heeft verweerder in het herziene bestreden besluit hersteld en een boete opgelegd van € 18.000,- behorend bij de juiste geconstateerde overtreding. Door het instellen van bezwaar is eiser in een slechtere positie geraakt, doordat de boete is verhoogd met € 9.300,-. Het verhoogd vaststellen van de boete ten nadele van eiser is ontoelaatbaar vanwege de punitieve aard van de sanctie. Het beroep is op dit punt gegrond. De rechtbank zal het herziene bestreden besluit deels vernietigen en de boete voor de overtreding ten aanzien van het exploiteren van een B&B terwijl de exploitanten geen hoofdverblijf op het adres hebben, vaststellen op € 8.700,-.
Bron: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:RBAMS:2025:5933
Leave a Reply