Rb. Oost-Brabant 17 juni 2025, ECLI:NL:RBOBR:2025:3472 – Geslaagd beroep op gelijkheidsbeginsel. “Het is de voorzieningenrechter niet gebleken dat de gemeente Bernheze in het totaal niet handhaaft en alleen eiser er uit heeft gepikt om tegen op te treden.”
Instantie Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak: 17 juni 2025
Datum publicatie: 18 juni 2025
ECLI: ECLI:NL:RBOBR:2025:3472
Fragment:
Inhoudelijke beoordeling
7. Eiser voert aan dat er in de gemeente Bernheze aanzienlijke verschillen zijn in de situatie van bestrating. Dat roept volgens eiser vragen op over de rechtvaardigheid van het gevoerde beleid. Met foto’s heeft eiser aangetoond dat er inritten op verschillende wijze worden aangelegd met beton of betonplaten tot aan de openbare weg. Eiser doet een beroep op het gelijkheidsbeginsel en voert aan dat hij anders wordt behandeld dan andere inwoners van de gemeente. Ter zitting heeft eiser drie adressen genoemd
7.1.
Het college voert daartegen aan dat deze stelling onvoldoende is voor een geslaagd beroep op het gelijkheidsbeginsel. Het college heeft eiser al in de bezwaarfase uitgenodigd zijn beroep op het gelijkheidsbeginsel te onderbouwen met adresgegevens. Een algemene verwijzing naar andere gevallen is hiervoor onvoldoende. Het college wijst op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 15 november 20171 waar is overwogen dat: “het aan [appellant] is om zijn beroep op het gelijkheidsbeginsel te onderbouwen met concrete gevallen die volgens hem op relevante punten vergelijkbaar zijn met zijn situatie. Met een enkele verwijzing naar percelen ten noorden van zijn perceel is hij daarin niet geslaagd.”.
7.2.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat het college terecht heeft aangegeven dat eiser zijn beroep op het gelijkheidsbeginsel niet heeft onderbouwd. De voorzieningenrechter heeft eiser ter zitting in de gelegenheid gesteld om zijn beroep op het gelijkheidsbeginsel te onderbouwen. Eiser heeft vervolgens 3 adressen genoemd. Het college heeft hierop gereageerd. Voor wat betreft 2 adressen heeft het college aangegeven dat de betreffende bewoners handelen zonder vergunning voor het aanleggen van een inrit en dat hiertegen handhavend zal worden opgetreden. Deze adressen worden in de handhavingslijst van het college opgenomen. Ten aanzien van het derde geval heeft het college aangegeven dat sprake is van een puinverharding en geen asfaltering.
7.3.
Eiser heeft hierover opgemerkt dat aan de overzijde van het adres waar géén asfaltverharding zou liggen, wel een uitrit ligt met een asfaltverharding. Eiser merkt op dat het college niet heeft uitgelegd waarom tegen hem wel wordt opgetreden en niet in vergelijkbare situaties.
7.4.
De voorzieningenrechter laat het vierde, door eiser genoemde adres buiten beschouwing. Eiser heeft de gelegenheid gekregen zijn beroep op het gelijkheidsbeginsel te onderbouwen en dit adres niet genoemd. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding het college hierop alsnog te laten reageren. Het college heeft terecht opgemerkt dat dit geen gelijk geval is.
7.5.
Het is de voorzieningenrechter niet gebleken dat de gemeente Bernheze in het totaal niet handhaaft en alleen eiser er uit heeft gepikt om tegen op te treden. Het college heeft namelijk aangegeven dat het zal gaan optreden tegen de overige twee adressen op basis van prioritering. Het is de voorzieningenrechter echter niet duidelijk waarom het college in dit geval wil dat de asfaltverharding binnen 8 weken wordt verwijderd terwijl het college in de andere gevallen wacht met handhaven van andere overtredingen totdat er voldoende handhavingscapaciteit beschikbaar is. De overtredingen worden immers op een presenteerblaadje aangereikt. Er zijn toezichthouders aanwezig geweest want het college heeft foto’s gemaakt en overgelegd. Toch wordt er niet direct opgetreden maar worden de adressen op een handhavingslijst opgenomen. Het college heeft niet uitgelegd waarom in het geval van eiser wordt opgetreden met een korte begunstigingstermijn en in andere gevallen wordt gewacht totdat er een opsporingsambtenaar beschikbaar is. Hiermee verschilt de handelwijze van het college bij de twee gevallen van de handelwijze in het geval van eiser. In zoverre slaagt het beroep op het gelijkheidsbeginsel van eiser.
Bron: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:RBOBR:2025:3472
Leave a Reply