Rb. Rotterdam 12 juni 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:6921 – Feit dat enkele overtredingen onvoldoende gemotiveerd zijn, maakt gelet op de overige overtredingen niet dat boete gematigd moet worden.
Instantie Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak: 12 juni 2025
Datum publicatie: 16 juni 2025
ECLI: ECLI:NL:RBROT:2025:6921
Fragment:
Lex certa-beginsel
66. Zoals uit voorgaande overwegingen blijkt zijn naar het oordeel van de rechtbank de bij de overtredingen in geding zijnde gestelde normen voldoende duidelijk en is van de door eiseres 1 gestelde strijd met het lex certa-beginsel geen sprake.14 De regels ten aanzien van het cliëntenonderzoek uit de Wtt 2018 hadden voor eiseres 1 voldoende kenbaar, duidelijk en voorzienbaar moeten zijn. De wet en de MvT geven voldoende uitleg over de invulling die behoort te worden gegeven aan de verschillende eisen uit artikel 27 van de Wtt 2018. Bovendien was een groot deel van de normen ook al opgenomen in de Rib Wtt 2014, die ook een toelichting op de normen bevat. Niet valt in te zien waarom meer guidance van DNB nodig was. Gelet hierop valt, anders dan eiseres 1 heeft aangevoerd, niet in te zien waarom DNB bij de invulling van het cliëntonderzoek door trustkantoren meer guidance had moeten geven dan zij heeft gedaan door middel van nieuwsbrieven, ‘good practices’ en seminars.
Opportuniteit en evenredigheid van de boete
67. Eiseres 1 meent dat het niet opportuun en onevenredig is om haar een bestuurlijke boete op te leggen.
Toetsingskader
68. De rechtbank toetst zonder terughoudendheid of de opgelegde boete in een redelijke verhouding staat tot de ernst van de overtreding en de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten (artikel 5:46, tweede lid, van de Awb) en aldus een evenredige sanctie vormt. Hierbij is het criterium of de bestuurlijke boete passend en geboden is. Een afzonderlijke evenredigheidstoetsing op grond van artikel 3:4, tweede lid, van de Awb, zoals eiseres 1 met verwijzing naar de ‘Harderwijk-uitspraak’15 bepleit, voegt daaraan niets toe.16
69. DNB heeft zich deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat het opleggen en in bezwaar handhaven van een bestuurlijke boete aan eiseres 1 opportuun is. DNB heeft in zeven van de acht onderzochte DVD’s meerdere overtredingen vastgesteld. Het cliëntonderzoek heeft op vrijwel alle onderdelen van artikel 27 van de Wtt 2018 tekort geschoten. DNB heeft daarbij terecht gewezen op de omstandigheid dat eiseres 1 langere tijd de relevante voorschriften niet heeft nageleefd nu de overtreding zeker één jaar en tien maanden heeft voortgeduurd. Dit betreft een ernstige en verwijtbare overtreding, die naar haar aard het opleggen van een bestuurlijke boete – waarmee leedtoevoeging en speciale preventie wordt beoogd – rechtvaardigt. Uit wat de rechtbank hiervoor heeft overwogen volgt dat de in geding zijnde normen van artikel 27 van de Wtt 2018 voldoende duidelijk zijn (en waren) en, indien overtreden, wel degelijk een grondslag bieden voor boeteoplegging op grond van artikel 48, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wtt 2018. Dat DNB ten aanzien van drie entiteiten onvoldoende heeft gemotiveerd dat artikel 27, eerste lid, onder f, van de Wtt 2018 is overtreden, maakt dit niet anders nu dit in verhouding slechts op een enkel onderdeel van het cliëntenonderzoek ziet. Vastgesteld is dat eiseres 1 op veel andere punten in het cliëntonderzoek te kort is geschoten en haar poortwachtersrol in zoverre ontoereikend heeft vervuld. De poortwachtersfunctie van eiseres 1 strekt ertoe te voorkomen dat haar dienstverlening wordt gebruikt voor witwassen, daaraan ten grondslag liggende basisdelicten, financieren van terrorisme, alsmede voor het handelen in strijd met wet- en regelgeving of hetgeen als maatschappelijk onbetamelijk wordt beschouwd.17 Als deze functie niet goed wordt vervuld, ontstaat een verhoogd risico om betrokken te raken bij witwassen en terrorismefinanciering. Dit geldt te meer tegen de achtergrond dat trustdiensten naar hun aard worden beschouwd als diensten met een hoog inherent integriteitrisico.18 Voor zover eiseres 1 in het kader van haar stelling dat geen goede belangenafweging heeft plaatsgevonden aan de orde stelt dat een bestuurlijke boete geldt als toezichtsantedecent en publicatie van de boete mogelijk tot reputatiegerelateerde schade leidt, is de rechtbank van oordeel dat DNB in het bestreden besluit 1 deze door eiseres 1 aangevoerde belangen heeft betrokken in haar besluitvorming en zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat deze gevolgen inherent zijn aan en een beoogd gevolg zijn van het inzetten van een handhavingsmaatregel. Het vermoeden van eiseres 1 dat bij de beslissing van DNB sprake is van confirmation bias dan wel hindsight bias, omdat zij onder een vergrootglas zou liggen, is niet geobjectiveerd en kan eiseres 1 niet baten.
Hoogte van de boete
Wegvallen overtreding artikel 27, eerste lid, onder f, van de Wtt 2018 ten aanzien van drie entiteiten
70. Uit overweging 48 tot en met 53 volgt dat ten aanzien van de entiteiten [entiteit 2] , [entiteit 3] en [entiteit 4] van de doelvennootschap [DVD 3] overtreding van artikel 27, eerste lid, onder f, van de Wtt 2018 onvoldoende gemotiveerd is. Zoals het College van beroep voor het bedrijfsleven (het College) heeft overwogen19 ligt het, wanneer het aantal overtredingen vermindert, in de rede dat de boete lager uitvalt. Die hoofdregel kent echter uitzonderingen, zoals het schrappen van een overtreding waarvan de ernst sterk achterblijft bij de andere of een enkele overtreding uit een groot aantal. Deze laatste uitzondering doet zich hier voor. De overtreding van artikel 27, eerste lid, onder f, van de Wtt 2018 blijft in stand ten aanzien van de drie doelvennootschappen ( [DVD 4] , [DVD 5] en [DVD 3] , voor zover het de entiteit [entiteit 1] betreft). Daarnaast blijven ook alle overige tegengeworpen overtredingen in stand. Het voorgaande heeft daarom geen invloed op de hoogte van de boete.
Bron: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:RBROT:2025:6921
Leave a Reply