Rb. Rotterdam 20 februari 2026, ECLI:NL:RBROT:2026:1952 – Niet horen van getuige door inspectie is onzorgvuldig “vrijwel iedereen die enige rol had” is gehoord, behalve deze getuige. Gebrek wordt met toepassing van 6:22 awb gepasseerd: overtreder had getuigeverklaring kunnen inbrengen.

Print deze pagina

Instantie Rechtbank Rotterdam

Datum uitspraak: 20 februari 2026

Datum publicatie: 26 februari 2026

ECLI: ECLI:NL:RBROT:2026:1952

Fragment:

Is het onderzoek voldoende zorgvuldig geweest?

8. Eiseres stelt dat het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig is voorbereid nu [naam 3] in het onderzoek van de Arbeidsinspectie niet is gehoord. [naam 3] had de leiding over het project en had daarom volgens eiseres gehoord moeten worden. [naam 3] was het vaste aanspreekpunt voor de gemeente en was dus van alles op de hoogte. Eiseres stelt zich op het standpunt dat het onderzoek hierdoor niet volledig is geweest, dat is in strijd met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM).1 Ook heeft de termijnoverschrijding van artikel 5:51 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ertoe geleid dat eiseres in haar belangen is geschaad. Zij heeft meermaals gewezen op een aantal wensen voor het onderzoek naar de overtredingen, maar die zijn niet opgevolgd.

8.1.
De rechtbank is van oordeel dat door [naam 3] niet te horen het onderzoek onvolledig en onzorgvuldig is geweest. De rechtbank stelt vast dat de Arbeidsinspectie vrijwel iedereen die enige rol had in de organisatie en de ontmanteling van schip als getuige heeft gehoord. Door meerdere personen is tijdens het onderzoek aangegeven dat [naam 3] de leiding had over het project. Zo verklaart [naam 4]: “Ik heb voornamelijk [naam 3] aan de lijn gehad. [naam 3] is mijn contactpersoon voornamelijk geweest.”

[naam 2] verklaart: “Ik denk dat je toch nog een paar getuigen moet oproepen. Dat je [naam 3] moet laten komen. Ik weet er maar een beetje van. Het hele traject heeft [naam 3] vanaf het begin opgepakt. Hij heeft het vooraf besproken. (…) Maar nogmaals laat [naam 3] komen. Ik vind het sowieso raar dat [naam 3] in lead bij dit verhaal is en dat hij nog niet gehoord is. Zeker over het beginstukje van de gemeente, dat is gezegd van joh, laat jij inventariseren, dat is zeker iets nieuws dat ik vandaag hoor. (…)Ja. Maar daarvoor vind ik het toch nog wel even belangrijk dat je [naam 5] uitnodig en toevoegt op dit dossier. Want die is daar ook, jongens ouwe krentenbrood.”

De inspecteur vraagt in een verhoor aan [naam 5]: “Wat zei [naam 3] precies tegen u, voordat u begon?”

Ook uit de zich in het dossier bevindende e-mailwisseling blijkt dat [naam 3] een belangrijke rol speelde. Naar het oordeel van de rechtbank waren [naam 3] en [naam 4] van de beide kanten de kernactoren. Gelet hierop acht de rechtbank het onbegrijpelijk dat de inspecteur ervoor heeft gekozen om [naam 3] (als enige) van de betrokkenen niet te horen. De inspecteur heeft tijdens de hoorzitting in bezwaar verklaard [naam 3] op locatie te hebben gesproken en dat hij geen reden zag om een aanvullende verklaring op te nemen omdat de bewijslast en omstandigheden duidelijk waren. Die uitleg acht de rechtbank, gelet op de centrale rol van [naam 3] en de uitdrukkelijke verzoeken hem te horen, onvoldoende om het niet horen te kunnen rechtvaardigen. Daarbij betrekt de rechtbank ook dat het gesprek met [naam 3] op locatie blijkens het handhavingsrapport vrij beperkt is geweest en dat de toen aanwezige directeur van eiseres tegen [naam 3] zei: “Zeg maar niets meer [naam 3]. Anders wil ik mijn milieu-advocaat erbij hebben.” De rechtbank concludeert dat het besluit in zoverre onzorgvuldig is voorbereid.2

8.2.
De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld wat het gevolg van deze onzorgvuldigheid moet zijn. De rechtbank overweegt dat eiseres door deze onzorgvuldigheid niet in haar verdedigingsrechten tekort is gedaan. Eiseres heeft gedurende het gehele proces de gelegenheid gehad te reageren op het onderzoek en heeft als reactie op het boetevoornemen een zienswijze ingediend. In dat verband had eiseres ook uit eigen beweging een verklaring van [naam 3] kunnen inbrengen. De rechtbank stelt ook vast dat [naam 3] in een mail van 24 juni 2022 heeft gereageerd op enkele vragen van de inspecteur en daarbij nog stukken heeft aangeleverd. Ook heeft eiseres er kennelijk van afgezien om van [naam 3] in bezwaar of in beroep een verklaring in te brengen of [naam 3] een verklaring te laten afleggen. Gelet op het voorgaande acht de rechtbank aannemelijk dat eiseres door de onzorgvuldige voorbereiding niet is benadeeld. De rechtbank zal het gebrek daarom passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Awb. De rechtbank ziet hierin wel aanleiding de minister te veroordelen in de proceskosten.

Bron: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:RBROT:2026:1952

Print deze pagina

Leave a Reply

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *