Rb. Rotterdam 7 april 2026, ECLI:NL:RBROT:2026:4382 – Geen controlerapport aan besluit ten grondslag gelegd en besluit bevat onvoldoende feiten. Strijd met artikel 3:2 Awb.
Instantie: Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak: 7 april 2026
Datum publicatie: 15 april 2026
ECLI: ECLI:NL:RBROT:2026:4382
Geen constateringsrapport
10. Eiseres betoogt dat het college ten onrechte geen controlerapport heeft overgelegd.
10.1.
Handhavend optreden is alleen mogelijk als sprake is van een overtreding. De Afdeling heeft in een uitspraak van 13 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3831, overwogen dat aan een sanctiebesluit een deugdelijke en controleerbare vaststelling van relevante feiten en omstandigheden ten grondslag moet liggen. Dit brengt met zich dat de vaststelling of waarneming van feiten en omstandigheden die leiden tot de conclusie dat sprake is van een overtreding dient te worden gedaan door een ter zake deskundige medewerker van het bevoegd gezag, door een ter zake deskundig persoon in opdracht van het bevoegd gezag of door een ter zake deskundige persoon wiens bevindingen het bevoegd gezag voor zijn rekening heeft genomen. De vastgestelde of waargenomen feiten en omstandigheden dienen op een duidelijke wijze te worden vastgelegd. Dat kan geschieden in een schriftelijke rapportage, maar in bepaalde gevallen ook met foto’s of ander bewijsmateriaal. Duidelijk moet zijn waar, wanneer en door wie de feiten en omstandigheden zijn vastgesteld of waargenomen en welke werkwijze daarbij is gehanteerd.
10.2.
De rechtbank stelt vast dat het college geen controlerapport aan zijn besluitvorming ten grondslag heeft gelegd. Ook zijn er geen foto’s toegevoegd aan het dossier. Uit de besluitvorming volgt enkel dat een toezichthouder op 6 maart 2023 een controle heeft uitgevoerd op het perceel en dat geconcludeerd is dat sprake was van een overtreding. Hiermee is met name de locatie en de werkwijze die gehanteerd is voor de constateringen niet duidelijk. Er is niet inzichtelijk gemaakt, bijvoorbeeld aan de hand van een kaart, hoe de betreffende bouwwerken en gronden zich verhouden tot de in de legger gegeven zonering van de waterstaatswerken. Deze gang van zaken is in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel (artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en het motiveringsbeginsel (artikel 7:12, eerste lid, van de Awb). De beroepsgrond slaagt.
10.3.
Met het oog op een zo finaal mogelijke afdoening van het geschil, zal de rechtbank hierna nog de andere beroepsgronden van eiseres bespreken.
Bron: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:RBROT:2026:4382
Leave a Reply