Rb. Zeeland-West-Brabant 1 mei 2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:2666 – Boetebesluit noemt “geen enkele wettelijke bepaling”. Verklaring van overtreder ondanks ontbreken cautie toch tegen hem gebruikt. Besluit bij mondelinge uitspraak onderuit.

Print deze pagina

Instantie Rechtbank Zeeland-West-Brabant

Datum uitspraak: 1 mei 2025

Datum publicatie: 6 mei 2025

ECLI: ECLI:NL:RBZWB:2025:2666

Fragment:

Gronden van de beslissing

6. Een bestuurlijke boete is een bestraffende sanctie. Dit betekent dat de rechtbank een besluit tot het opleggen van een boete indringend en vol moet toetsen. Bij een bestuurlijke boete moet het voor de overtreder kenbaar zijn op grond van welke bepaling de boete is opgelegd. Het college heeft dit ten onrechte nagelaten. In het voornemen wordt geen enkele wettelijke bepaling en alleen de uitschrijving van eiseres genoemd. In het besluit van 8 mei 2024 (primair besluit) wordt artikel 2.39 of artikel 2.43 van de Wet BRP genoemd en dit geldt ook voor het bestreden besluit. Anders dan het college stelt kunnen deze artikelen niet de grondslag zijn om aan eiseres, als ouder van minderjarige kinderen, een boete op te leggen in verband met de uitschrijving van haar kinderen. Het college heeft dit op zitting ook erkend.

7. Daarnaast schrijven de beleidsregels voor dat het dossier op orde moet zijn, er een rapport moet zijn opgemaakt (waar ook uit moet blijken dat de cautie is gegeven) en moet men gewaarschuwd worden voor een bestuurlijke boete. In de beleidsregels zit ook een stappenplan die gevolgd moet worden om over te kunnen gaan tot het opleggen van een boete, waarbij in ieder geval een voornemen gestuurd moet zijn. Uit het verweerschrift van het college voor de hoorzitting blijkt dat er een huisbezoek heeft plaatsgevonden, dat eiseres en haar vader verklaringen hebben afgelegd en dat er bankafschriften zijn overgelegd. Vast staat dat er alleen een voornemen is gestuurd voor een boete voor de uitschrijving van eiseres, dat de stukken genoemd in het verweerschrift bij de hoorzitting niet in het dossier of in een rapport zitten en dat uit het verslag van de hoorzitting niet blijkt dat de cautie is gegeven. Het college heeft dit op zitting ook erkend.

8. Gezien voornoemde zorgvuldigheidsgebreken, die op zitting ook erkend zijn door het college, kan de boete geen stand houden. De rechtbank komt daardoor niet toe aan de beoordeling van de overige beroepsgronden.

Bron: https://uitspraken.rechtspraak.nl/details?id=ECLI:NL:RBZWB:2025:2666

Print deze pagina

Leave a Reply

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *